Laatste nieuws

Niet voor niets is trailer queen een Engelse term

Alle columns / Jeroen Bruintjes / 16 maart 2015

“Dat gebeurt er als je een auto gebruikt.” Deze spreuk hoor ik steeds vaker in mijn omgeving. Ik weet wie ’m heeft bedacht: de bevriende eigenaar van een Healey, kijkend naar zijn lekke band en zijn spatbord dat tot op het blanke metaal was beschadigd. Een spijker op een Engels landweggetje kan veel schade aanrichten.
Het klopt. Auto’s, hoe exclusief ook, zijn gebruiksvoorwerpen. En áls je ze gebruikt, gaan ze soms stuk of raken ze beschadigd. Voor sommigen, zoals in dit geval, is dat part of the fun. Gewoon netjes repareren en we kunnen weer. Anderen houden hun auto juist om die reden binnen. Alleen bij mooi weer komt-ie uit de garage. Het is immers ‘zonde’ om de auto zo vaak te rijden, zeggen ze. Ik vrees dat ik weinig gemeen heb met deze mensen.
Het hierboven genoemde Engelse landweggetje voerde ons naar de Goodwood Revival Meeting, het jaarlijkse evenement waar talloze Nederlanders met stille bewondering rondlopen en tegelijk verzuchten dat zoiets ‘alleen in Engeland kan’. Volgens hen zijn alleen Britten zo gek om met hun onbetaalbare vooroorlogse auto door de regen naar zo’n evenement te rijden of, nog erger, ermee te racen. Britten, zo beweren boze tongen, houden nu eenmaal van auto’s die stuk gaan.
In werkelijkheid weten ze daarginds als geen ander dat auto’s net paarden zijn. Laat ze vaak de benen strekken en ze blijven uitstekend in vorm. Zet het ding 49 weken per jaar in een verwarmde garage en bij de eerste voorjaarsrit is er van alles mee mis. Niet voor niets is trailer queen een Engelse term. De Britten vormen een volk dat, meer dan welke andere Europese natie ook, een zwak heeft voor exclusieve of klassieke auto’s die flink in het zweet worden gejaagd.
Nee, dan wij Nederlanders. In ons land van verkeersdrempels en trajectcontroles, van jaloerse buren (“Waar doet-ie het van?”) en stervenshoge parkeertarieven, van zuinigheid en leedvermaak. Toen ik enkele maanden geleden mijn quattro op de vluchtstrook van de A2 zette en de motorkap opende, oogstte ik meer meewarige blikken dan een dronken Patty Brard op het Leidseplein.
Maar weet u, dat is best vreemd. Want als klassiekerbezit een indicator is voor autoliefde, dan blijkt Nederland een verdomd broeierig land. In dit land rijden 7,8 miljoen personenauto’s rond. Daarvan zijn bijna 217.000 stuks van bouwjaar 1982 of ouder en 146.000 zelfs van vóór 1977. Respectievelijk 2,7 procent en 1,9 procent. Let wel – dit zijn auto’s die een kenteken hebben, die rijden, maar die beslist niet horen bij de categorie van roestige, walmende, belastingontduikende diesels. Het zijn auto’s die we voor de lol hebben. Omdat we ervan houden.
In Groot-Brittannië is 2,5 procent van het wagenpark van vóór 1982 en 2,1 procent van vóór 1977. De cijfers zijn dus vrijwel identiek. Daarmee staan deze twee landen aan de top van Europa. Duitsland, Italië, Frankrijk en zelfs Zwitserland kennen een veel lager percentage klassiekers: tussen de 0,5 en 1 procent.
Ik ga u niet verder met statistieken vervelen, maar neem van mij aan: alle cijfers tonen aan dat ons land qua autogekte op hetzelfde niveau hangt als de Britten. Wij, de zogenaamd nuchtere, botte, ongevoelige, zuinige, autohatende Hollanders, hebben in werkelijkheid evenveel benzine in de aderen als die theedrinkers aan de overkant.
Hoe zit dat dan met die zure of zuinige blikken waar ik het daarnet over had? Gewoon onwetendheid. Ben ik van overtuigd. Het gros van de Nederlanders wil niets liever dan een pretauto ‘voor erbij’. Klassiek of niet, dat maakt niet zoveel uit. Als het ding maar lol geeft. Ze durven hem alleen niet te kopen, laat staan ermee te rijden. Want wat kost dat wel niet aan onderhoud? En hij gaat vast stuk!
Welnu, beste medelanders. Geen uitvluchten meer. Uw kinderen zijn te jong? Nonsens, ook in een klassieke Alfa past een maxicosi. U hebt te weinig vakantiedagen? Reden te meer om dat spectaculaire retourtje Alpen in één weekend te doen. U weet niet waar u naartoe wilt of u kunt niet sleutelen?
Blijf dan vooral dit magazine kopen. We gaan het er namelijk uitgebreid over hebben, over lange ritten met bijzondere auto’s die soms flink kapot gaan.

JEROEN BRUINTJES
Hij is geboren op de achterbank van een NSU Prinz. Daarom rijdt hij zijn hele leven al oude Audi’s. Zijn jongste trots is een urquattro uit 1982. In 2010 ging hij in een Lagonda uit 1932 de uitdaging van Peking-Parijs aan. Sinds dat project is hij veel meer dan een hobbysleutelaar.


Tags:
Print Friendly, PDF & Email




redactie Octane

Octane is een licentie van de gelijknamige Britse titel, maar streeft naar zo veel mogelijk eigen inhoud, met Nederlandse en Belgische liefhebbers en hun auto’s in de hoofdrol. Van de redactie maken deel uit Wil van Lierop (eindredactie), Carl de Vaal (art-director) en Ton Roks (hoofdredacteur).





Vorig bericht

Een scheut whisky in je koffie

Volgend bericht

Kleine jongens vinden benzine alleen maar stinken





Bezoekers lazen ook


Uitgelicht

Een scheut whisky in je koffie

  Als Woolf Barnato en de andere Bentley Boys je rolmodellen zijn, is de Continental GT V8 S de juiste Bentley...

16 March 2015

Webdevelopment