Laatste nieuws

Een auto, élke auto, wordt leuk zodra je er competitief mee kunt zijn

Alle columns / Jeroen Bruintjes / 16 maart 2015

Octane is vernoemd naar het octaangetal van benzine. Dat weten we natuurlijk. Het is een getal dat we associëren met snelheid, met brute auto’s, met pk’s in de gloria. Sommige Octane-lezers houden mede om die reden absoluut niet van diesels. Sommige Octane-redactieleden ook niet. Zoals ik. Ik ben bepaald geen dieselfan. Ja, een brullende oude vrachtwagen, dat is cool. Diesel in een gewone auto? Hmm, nee.

Maar als je me ergens wél enthousiast voor krijgt, is het een epische roadtrip door Europa. Dus toen een goede vriend, die een huis in Italië heeft, vroeg of ik zijn VW-ecodieseltje naar dat huis wilde rijden, ergens in de heuvels tussen Firenze en Rome, ontstond een dilemma van formaat. Is dat leuk, zo’n rit in zo’n auto? Dat weet je natuurlijk alleen als je het probeert, en dus boekte ik een overnachtinkje ergens halverwege, haalde de sleutels op en stapte in. Nu is een VW Lupo 3L een auto die vermoedelijk nooit de cover van dit tijdschrift zal sieren. En in de eerste paar honderd kilometer over lege Autobahnen snapte ik wel zo’n beetje waarom. Weliswaar is een Lupo een leuk ding – maar het dieselmotortje en mijn vooroordelen zaten me in de weg. ’s Avonds, in de Beierse Biergarten, was het roadtrip-gevoel nauwelijks aanwezig. En toen ik de volgende ochtend de gordijnen opentrok, al helemaal niet. Stromende regen, en ik moest nog 900 kilometer!

Een snel ontbijt later zat ik alweer in het Wolfje, dat onverstoorbaar knorrend de snelweg onder zich doortrok. Het ging door dicht verkeer langs München, door de stromende regen richting de Alpen, en het werk steeds drukker. Toen de borden Innsbruck opdoemden, flitsten de remlichten voor me op. Het verkeer klonterde samen. Nee hè. Ik reed een gigantische file binnen, die de volledige Brennerpas besloeg. De daaropvolgende uren waren een marteling. Met tenenkrommend lage snelheden ging het over de pas. Maar niet alleen de gemiddelde snelheid daalde spectaculair. Ook het verbruik.

Ik zag de eco-meter terugvallen naar 3,9 liter op 100 kilometer. Het drong tot me door dat je daar iets leuks mee kunt doen. Een auto, élke auto, wordt leuk zodra je er competitief mee kunt zijn, als je de grenzen van de techniek kunt opzoeken. Meestal draait het om snelheid, maar in de Lupo wil je gewoon de zuinigste zijn. En omdat je eigen rijstijl, je eigen kwaliteiten als chauffeur bepalend zijn voor elke tiende van een liter, neem je vroeg of laat de uitdaging van het autootje aan. Het is immers niet zo’n voorgeprogrammeerd ding als een Prius. De Lupo is nog écht mechanisch, je kunt ‘m in de handbediening zetten en dan al schakelend proberen de eco-computer te verslaan. Dat werd mijn doel: ik wilde het laagst mogelijke verbruik met een 3 voor de komma, over de hele 1600 kilometer.

In de Dolomieten stopte de regen en brak de zon door de wolken. Er ontstonden wat gaten in het verkeer. Ik probeerde ze te benutten. Ver vooruitkijken, remmen vermijden. Uitrollen zolang het kan, vooral niet tot stilstand komen. Bij het Gardameer was het verbruik gezakt naar 3,8. Daar verdwenen ook de campers en caravans van de weg. De zon werd steeds feller, dat harde mediterrane licht. Het was al laat in de middag, de Italiaanse vlakte lag voor me, ik zette een zonnebril op, opende ramen en schuifdak en dacht stiekem aan het intro van The Italian Job. Het dieseltje daalde nog verder: 3,7. Dat getal bleef ruim een uur staan. Highscore! Oh nee, lowscore!

Maar toen, helaas, sloeg het noodlot toe. In een tunnel bij Florence haalde ik namelijk een andere Lupo in, ook een 3L, en de Italiaan dook meteen achter me aan. Zoals het echte Italianen betaamt. Een race! Hij durfde meer dan ik in de krappe bochten van de Autostrada. Het Italiaanse Wolfje kwam langszij. Maar ze waren met z’n tweeën aan boord, een gewichtsnadeel, en op de volgende heuvel bleef ik voor. De Hollandse Lupo demarreerde en liet de Italianen in het roet bijten.

De volgende bocht voelde helaas wel érg krap, dus liet ik wat snelheid varen. Een fatale vergissing, want er doemde een vrachtauto op, en op hetzelfde moment kwamen de Italianen, die de weg duidelijk beter kenden, heuvelaf. Erop en erover. Ik was verslagen, moest remmen voor de vrachtwagen en boog onderdanig naar de tegenstander. De jonge bestuurder stak grijnzend een duimpje op, en zijn passagier, een oogverblindend mooie dame, applaudisseerde naar me – alleen dát was al een ton aan extra CO2-uitstoot waard.

Ten zuiden van Firenze, waar het lage zonlicht de Toscaanse heuvels streelde, keek ik weer naar het verbruik. 4,2 op 100. Verloren. Ik zette de zonnebril nog eens recht, tikte de Lupo goedkeurend op z’n stuur – well done! – en gaf gas om de agriturismo nog vóór zonsondergang te bereiken. Dan maar niet eco.

 

 


Tags:
Print Friendly




Ton Roks
Ton Roks werkte meer dan 25 jaar voor het blad Autovisie, waarvan een groot deel als hoofdredacteur. In november 2012 vervulde hij een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.




Vorig bericht

Vrijwel elke avond tikte hij ronkende artikelen uit, de typmachine op schoot

Volgend bericht

Stilstand maakt meer kapot dan de normale slijtage van het gebruik





Bezoekers lazen ook


Uitgelicht

Vrijwel elke avond tikte hij ronkende artikelen uit, de typmachine op schoot

Waarom rijden wij klassiekers? Het is een hobby, zeggen we dan. Nonsens. Postzegels verzamelen, dat is een hobby. Of modeltreinen...

16 March 2015

Webdevelopment