Laatste nieuws

Jack Sears’ Ford Galaxie

Alle reportages / Slider / 25 november 2017

Ford’s reusachtige 7,0-liter Galaxie en sterrijder Jack Sears domineerden twee seizoenen lang de Britse toerwagenracerij.

Het was op Silverstone, in de Abbey Curve, ik was zeven jaar oud en het was de eerste keer dat mijn vader me had meegenomen naar een race, de Daily Express Trophy van 1963. Toen zag ik de BML 9A voor het eerst. De race voor Production Touring Cars was nauwelijks een paar minuten oud toen ik alleen nog maar oog voor één auto had. Het was de grootste die ik ooit had gezien. Hij denderde ongehoord zelfverzekerd door de bochten, maakte een geluid dat zijn weerga niet kende, haalde zijn drie snelste rivalen in de eerste ronde al in op Hangar Straight, en sloeg een gat dat per passage een volle seconde groter was. De Ford maakte diepe indruk op me, extra diepe zelfs omdat we met de Jaguar 3.8 van mijn vader naar het circuit waren gekomen, precies zo’n auto waarvan het Amerikaanse battleship voor mijn ogen gehakt maakte. Mijn sympathie en bewondering namen state pede afscheid van de Jaguar en richtten zich op de witte Ford. Waarom reed mijn vader geen Galaxie 500?

Het heeft 35 jaar geduurd voordat ik de auto opnieuw zag. Wat ik op die 11e mei van 1963 had meegemaakt, was het debuut van waarschijnlijk de meest charismatische toerwagen die ooit op Brits asfalt heeft geracet. In het voorjaar van dat jaar waren er drie Galaxie’s in Engeland neergedaald, maar de eerste die op het circuit in actie kwam, en de enige die deelnam aan die race op 11 mei, was die witte met de drie rode strepen, twee dunne en één dikke. Hij reed onder de vlag van het John Willment Racing Team, met aan het stuur Jack Sears, de Britse toerwagenkampioen van 1958. Hij en de Galaxie zouden het kampioenschap twee seizoenen lang volledig domineren. Het heeft er even anders uitgezien, zo vertelde Jack me in 2005.

“Ik reed voor Tommy Sopwith, maar hij stopte ermee”, aldus Jack indertijd. “Toen belde Jeff Uren van Willment en vroeg of ik beschikbaar was om de Galaxie te rijden. Natuurlijk was ik geïnteresseerd. Ze wilden echter een antwoord binnen 24 uur en er was geen gelegenheid de auto binnen dat tijdsbestek te testen.”
De auto in kwestie was een Ford Galaxie R-code, geprepareerd door de Amerikaanse specialist Holman Moody. De ‘no competition’ periode in de VS was voorbij en Ford was er helemaal klaar voor om onder het motto Total Peformance elke strijd aan te gaan, waar dan ook. Vandaar dat het contact had gezocht met een grote Britse dealer met een gezonde honger naar autosport.
Holman Moody, en ook Carroll Shelby, opereerde al onder de vleugels van Dearborn en bouwden competitieauto’s. Shelby richtte zich op de sportwagens en het duo HM in Charlotte, North Carolina, concentreerde zich op de toerwagens. Holman Moody hield zich vooral bezig met NASCAR maar in die tijd was dat veel méér dan rondjes rijden op een kombaan. Er stonden diverse road races op de kalender, zoals bijvoorbeeld Riverside in Californië, en de auto’s die H & M voor cliënten ontwikkelden, hadden een verrassend goed weggedrag.

“Ze zeiden tegen ons dat we nooit andere banden dan Firestones moesten gebruiken, wat we ook deden”, wist Sears zich te herinneren. “Die banden waren toen nog niet gearriveerd, maar ik ben toch gaan rijden in de vrije training op Silverstone om te wennen aan de afmetingen van de auto. Ik voelde onmiddellijk dat het een prima raceauto was en na een ronde of drie kon ik me niet meer inhouden. Binnen een ronde had ik een achterband aan flarden gereden.”
Het gewenste rubber arriveerde uiteindelijk op tijd en de oppositie werd op buitengewoon overtuigende wijze onttroond. De snelheid en de wegligging van deze Amerikaanse ‘stocker’ moeten heel veel indruk op het publiek hebben gemaakt, zo rapporteerde Motor Sport.
Die snelheid kwam van een kanjer van een V8, Ford’s 427 FE met zo’n 425 pk, gekoppeld aan de T10 handbak met vier versnellingen. De wegligging was mede te danken aan hardere veren en een dubbele set schokdempers op zowel de voor- als achteras. Er waren talloze andere aanpassingen, waarvan de meest opvallende de rolkooi was. Dat was iets waarmee de keurmeesters in de Britse paddocks niet bekend waren, zeker niet met de kooien zoals de stock-car racers uit het Amerikaanse zuiden ze bouwden.
Op Silverstone en de volgende race op Aintree werd de kooi vooral bewonderd. Nadat de Galaxie beide keren had gewonnen, wachtte op Crystal Palace echter de eerste confrontatie met de autoriteiten. De ontstane discussie had tot gevolg dat drie buizen achter de voorstoelen weggehaald moesten worden. En daar hield het niet mee op: naar mate het seizoen vorderde, moesten er steeds meer buizen uit de kooi gehaald worden. Hoe ver Holman & Moody in die tijd gegaan zijn met hun constructie, is nog steeds te zien in de kofferbak van de Galaxie: daar zitten nog wat buizen die kennelijk aan de toorn van de keurmeesters zijn ontsnapt.

De BML 9A was een R-code Galaxie, wat binnen die modelreeks betekende dat het een lichtgewicht versie was met voorschermen, motorkap en kofferdeksel van polyester en bumpers van Dural, een aluminiumlegering. De voorstoelen waren vervangen door lichtere exemplaren van Ford’s Econoline bestelwagen en het instrumentarium was vervangen door vijf meters van Stewart Warner die zo goed mogelijk in de beschikbare ruimte waren gepropt. Ook waren de voor- en achterschermen subtiel bewerkt zodat de Ford breder rubber kon dragen en de grille was aangepast zodat er meer koude lucht naar de oliekoeler kon stromen.
De stalen wielen (6×15 inch) waren van een dubbel hart voorzien, versterkingen die nodig waren om te voorkomen dat de bouten en moeren niet door het wiel heen getrokken werden. De grote remtrommels hadden ventilatiegaten gekregen. Niets was aan het toeval overgelaten: de Ford had zelfs een ventilator in de kofferbak om het differentieel verkoeling te geven. De Achilleshiel tijdens de eerste race was de koppeling. De woeste staande starts van de Europese autosport waren niet voorzien door Holman & Moody, hoe perfect de preparatie ook was. Daarom kreeg de Galaxie na terugkeer in de stallen van Willment onmiddellijk een veel zwaarder exemplaar.
Het feit dat de grote Ford zo piekfijn was geprepareerd, gaf Jack Sears een forse dosis vertrouwen en er ontstond in ‘63 en ‘64 een band tussen beiden die het traditionele man and machine veruit oversteeg. De Galaxie was niet alleen, er meldden zich andere exemplaren in de arena van de autosport, maar slechts weinig rijders waren zo één met hun auto als ‘Gentleman Jack’.

Gawaine Baillie had zelf een Galaxie geïmporteerd en Alan Brown had er een geprepareerd die voor gastrijders was bedoeld, maar waarin Jack Brabham heel geregeld optrad. Deze laatste Galaxie is de enige geweest die in staat was het Willment duo te snel af te zijn, hetgeen twee maal gebeurde. De eerste keer was in augustus 1963, tijdens de BRSCC races op Brands Hatch, waarin Jim Clark een betere start had in de auto van Brown en Jack Sears een lekke band kreeg tijdens zijn jacht op de aankomende wereldkampioen.
In het jaar daarop, tijdens de seizoensopener van het BTCC, op Snetterton in de kletterende regen, moest Sears opgeven en de eer aan Brabham gunnen nadat hij een spinnende Mini had geraakt.
Toen het jaar 1963 ten einde was, had Jack Sears zijn tweede kampioenstitel bij de toerwagens te pakken, voornamelijk aan het stuur van de Galaxie. Voordat de Ford arriveerde, had hij ook punten verdiend met een Cortina GT, en aan het einde van het seizoen had hij er ook vergaard met de nieuwe Cortina Lotus.
In 1963 deelde hij de Galaxie met Willment’s nieuwe aanwinst Paul Hawkins voor een endurancerace in november op Kyalami in Zuid-Afrika. Speciaal hiervoor was de grote Ford voorzien van rode en groene lampjes op het dak, plus verlichting voor de racenummers. Die zitten er nu nog altijd op.

Na de in het water gevallen seizoensopener van 1964 begon het seizoen pas goed voor Jack met de Easter Goodwood races. Hij had van start tot finish de leiding, maar werd de gehele race op zijn hielen gezeten door Jim Clark, spectaculair op soms drie wielen in de Lotus Cortina. De twee protagonisten, beide uit een boerenfamilie, hebben heel het seizoen het op de tenen staande publiek geboeid met hun kat-en-muis capriolen op alle belangrijke Britse circuits. Van die briljante gevechten kun je een glimp opvangen op Ford’s promotiefilm The Year of the Cortina. Wie even naar BTCC 1963 of ’64 of Galaxie zoekt op YouTube kan nog veel meer vinden. Clark, de held van elke schooljongen, won het kampioenschap van ’64 op het nippertje; hij had net meer klasseoverwinningen geboekt dan Jack, die punten verloren had door een lekke band op Crystal Palace, net zoals op Snetterton.

Aan het einde van het seizoen ging de Galaxie nogmaals op transport naar Zuid-Afrika, deze keer met een omgekeerd kleurschema: rood met witte strepen. Hij werd gereden door (weer) Hawkins en Frank Gardner. Helaas haalde Galaxie daar weer de finish niet. Jack Sears was er ook, hij deelde de Willment Cobra Daytona met de locale rijder Bob Olthoff. Deze nam BML 9A na de race over, mogelijk hadden de mannen van Willment er niet zo veel trek in gehad hem terug naar de Britse thuisbasis te transporteren.
Olthoff heeft een aantal seizoenen met de Galaxie geracet, maar nadat een drijfstang een weg uit het motorblok had gezocht, parkeerde hij de grote Ford in een garage en is hem daarna vergeten. Toen hij in 1989 besloot naar de Verenigde Staten te emigreren, groef Olthoff de opmerkelijk goed bewaard gebleven Galaxie op uit zijn garage in Johannesburg en belde Jack Sears. Auto en rijder werden herenigd, tot groot genoegen van Jack, maar niet nadat de Ford weer wit was gespoten en zijn rode strepen had teruggekregen.
Nadat de Galaxie in Engeland was teruggekeerd, werd het aan Willment’s motorenbouwer Spike Winter toevertrouwd een nieuw blok te vinden en de 427 opnieuw op te bouwen. Mike Brown, de man die Willment’s monteur was tijdens het seizoen ‘64, kreeg de opdracht de auto te herstellen – en dus niet te restaureren. Het is van meet af aan niet de bedoeling geweest opnieuw met de auto te gaan racen. “Hij heeft meer dan eens laten zien waartoe hij in staat is”, aldus Jack indertijd, die zijn Galaxie overigens meer dan eens aan het enthousiaste publiek gedemonstreerd heeft tijdens het Goodwood Festival of Speed.

Toen Lord March en Richard Sutton de startvelden samenstelden voor de eerste Goodwood Revival in 1998, vonden ze dat er absoluut een Galaxie van de partij moest zijn. “De kwaliteit van alle auto’s op de baan moest van het hoogste niveau zijn”, aldus Sutton. “Elke race moest zo mooie en authentiek mogelijk zijn, met precies de juiste iconische auto’s. Dat betekent dat de St. Mary’s Trophy, voor toerwagens die tussen ‘59 en ‘66 op Goodwood hebben gereden, niet zonder een 7,0-liter Ford Galaxie van ’63 kon, in de kleuren van Willment en Sears uiteraard.”
Jack Sears hield echter voet bij stuk: no racing met de BML 9A. Lord March was daardoor gedwongen een ander Galaxie aan te schaffen en hem in de juiste kleuren te laten spuiten. Maar Jack Sears en BML 9A werden zo belangrijk gevonden dat er een plekje in het rennerskwartier voor hen is gemaakt, naast de andere raceauto’s.
Sears was een enthousiast die een aantal verrukkelijke auto’s heeft gehad, inclusief een 250 GTO, maar de grote witte Ford is altijd zijn favoriet gebleven. Meer dan wie ook wist hij de unieke, ongerestaureerde conditie van zijn auto te appreciëren. In zijn latere jaren heeft hij er niet veel meer mee gereden, maar als het uitkwam, liet hij graag even zien waartoe het beest in staat was.
Steve Eggleton heeft de auto voor hem onderhouden over een periode van een jaar of zeven en heeft een keer mee mogen rijden tijdens een ‘snelle optocht’ op Snetterton. “Het heeft me echt verbaasd hoe snel de auto is. Je hebt nu historische racewagens die nog sneller zijn, maar er is geen een die Jack’s Galaxie op karakter kan verslaan”, vindt Steve.

Na Sear’s overlijden is de Galaxie geveild door Bonhams tijdens de recente Goodwood Revival. Het was een grote eer om voorafgaand aan de veiling een aantal ronden op de stoel te mogen doorbrengen waar de grote man zo’n 55 jaar geleden zo hard aan het werk is geweest. Aan het stuurwiel gezeten – een standaard exemplaar – is de Galaxie precies zoals hij moet zijn: als een veel gedragen leren jack. Hij straalt overal karakter uit, het druipt uit elke naad en kier in het knalrode interieur. Als ik controleer of de bak in vrij staat, valt me op dat de versnellingspook een ongewoon grote hoeveelheid vrij spel heeft. Even wachten om de brandstofpomp de tijd te geven, en dan starten. De grote V8 slaat meteen aan, met een dreigend gebulder uit de zijuitlaten, dat me onmiddellijk kippenvel bezorgt. De koppeling, die in het begin zulke problemen gaf, vraagt slechts lichte druk en laat zich gemakkelijk bedienen. Als je eenmaal rijdt, laat de bak zich zeker en precies schakelen, ondanks de speling hoef je niet bang te zijn in de verkeerde versnelling terecht te komen.

Het is een vreemde ervaring je vrijwel onmiddellijk thuis te voelen in – figuurlijk – zo’n verheven positie. De Galaxie is een eersteklas prijsvechter, met een hele rij onderscheidingen op zijn borst, maar het is tevens een buitengewoon welgemanierde machine. Hij laat zich relatief gemakkelijk met een stevig tempo over Goodwood piloteren. Het is een snelle auto echter zonder explosief te zijn. Wat me het meest verbaast, is dat hij veel agieler is dan je op basis van zijn afmetingen zou vermoeden. Ik krijg geen kans het gas dieper in te trappen en de grenzen met gepast respect op te zoeken, want de geschiedenis herhaalt zich. Mijn testsessie komt voortijdig tot een einde, door een lekke band, een lot dat de strijdende Galaxie in het verleden driemaal tot voortijdig tot stilstand heeft gebracht.

Een lang gekoesterde droom is toch in vervulling gegaan – daarvoor heb ik  lang genoeg van de BML 9A kunnen genieten. Ik heb er zelfs een gekocht, in hetzelfde jaar dat Jack Sears met zijn Galaxie herenigd werd. Dat heeft die ene dag in 1963 op Silverstone allemaal teweeg gebracht.

 TEKST Julian Balme // FOTO’s Paul Harmer

Met dank aan de familie Sears en Bonhams, dat de auto op 9 september tijdens de Goodwood Revival heeft geveild.

www.bonhams.com

Ford Galaxie 500 R-code (1963)
Motor 427 FE V8, 6997cm3, centrale nokkenas, viervoudige Holley carburateur Vermogen 450 pk bij 6000 min-1 Koppel 650 Nm bij 3700 min-1 Transmissie achterwielaandrijving, handgeschakelde vierbak Besturing tandheugel Wielophangingen voor dubbele driehoekige draagarmen, schroefveren, dubbele telescoopdempers, anti-rol stang; achter starre as, bladveren dubbele telescoopdempers Remmen trommels rondom (schijven voor met dubbele bekrachtiging vanaf 1964) Gewicht 1629 kg Topsnelheid 250 km/h Acceleratie 0 – 60 mp/h (96 km/h )in 6,3 seconden


Print Friendly, PDF & Email




Ton Roks

Ton Roks werkte meer dan 25 jaar voor het blad Autovisie, waarvan een groot deel als hoofdredacteur. In november 2012 vervulde hij een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.





Vorig bericht

E-Pace, Jaguars nieuwe hit

Volgend bericht

Rolex Serpico y Laino




Uitgelicht

E-Pace, Jaguars nieuwe hit

Eerste rij-drukken met de E-Pace, de Jaguar die het gat tussen je eerste auto en je eerste Jaguar dicht gaat rijden. Een...

19 November 2017

Webdevelopment