Laatste nieuws

Ook de dapperste kerels worden door zoiets tot waanzin gedreven

Alle columns / Jeroen Bruintjes / 16 maart 2015

De afgelopen jaren was ik nogal veel van huis. En naarmate je meer reist, ga je sommige Nederlandse dingen op waarde schatten. Amsterdamse grachten. Typisch Nederlandse, flauwe humor. Hagelslag. Maar er is één Hollands verschijnsel waar ik juist een intense haat tegen heb: verkeersdrempels.

Nederland ligt er vol mee. Sommigen zijn nog wel te doen. Maar ik kom er regelmatig tegen die zó slopend zijn, dat je er hooguit stapvoets overheen kunt. Waarom doen we ons die drempels aan? Dat ze op een woonerf of bij een school liggen: prima. Maar op de hoofdweg in een dorp? Of op kaarsrechte wegen door de polder, waar geen hond woont? Als ik mijn buurt inrijd, komende vanaf de invalsweg dus, moet ik acht van die dingen over voor ik mijn parkeervak bereik. Maar de straten in mijn buurt zijn zo krap, dat je daar sowieso niet harder kunt dan 30. Dat is acht keer onnodig afremmen en optrekken. Het lijkt me dat miljoenen personenauto’s en vrachtwagens in Nederland elke dag onnodig brandstof verstoken omdat ze moeten accelereren na het afremmen voor een verkeersdrempel. Waarom hoor ik dáár nooit een milieugroepering over?

En daarmee kom ik bij Walter Röhrl, bepaald geen watje. Als testcoureur heeft de man al meer Porsches op de limiet over de Nürburgring gejaagd dan wie ook. Om over z’n rallysuccessen bij Opel en Audi nog maar te zwijgen. Hij heeft de zucht naar perfectionisme van een volbloed-Duitser. Maar tegelijkertijd een afkeer van regeltjes waar Berlusconi nog jaloers op is. Röhrl spreekt trouwens vloeiend Italiaans, dat heeft er vast mee te maken. Het is bovendien niet iemand die snel de beheersing verliest. Toch is er een fantastische scène van hem, in Kenia, tijdens de Safari Rally van 1987. De avond na een lange etappe over de Afrikaanse steppe. De ondergaande zon verspreidt stoffig woestijnlicht, Röhrl zit in het tentenkamp en heeft tranen in de ogen. In ziedend Beiers dialect laat hij zijn frustraties los. “Zand, kuilen, nergens een weg, de hele dag alleen maar eerste en tweede versnelling, diese brutale Straßen, dat is toch geen rallyrijden.”

Nu heb ik zelf, met aanzienlijk minder talent, een keer meegedaan aan zo’n endurancerally en kan z’n frustratie een beetje begrijpen. Dan heb je in het routeboek een set GPS-coördinaten, bijvoorbeeld 52.314923, 7.047077. Daaronder staat het beschaafde waarschuwinkje ‘bumpy’. Die waarschuwing negeer je, want je bent op dat punt van de rit al zó moe gebeukt door de eindeloze kuilen van de dagen ervoor, dat je denkt: whatever. Vervolgens krijgt de auto een upper cut waar Vladimir Klitschko nog ‘auw’ van zou roepen. Zulke mokerslagen gingen dagen door. Het is grappig hoe snel je dan een pavlovreactie hebt. Toen ik terug was in Nederland, kon ik niet ontspannen rijden op de biljartlakengladde A4. Ik wist zéker dat er elk moment iets zou opduiken in het wegdek. Een rotsblok, een krater, iets slopends. Ik vond mezelf nogal overdrijven. Je wilt toch een bikkel zijn als je aan zoiets meedoet. Maar helaas duurde het dagen voor ik die kuilenreflex kwijt was. Pas toen ik die film van Röhrl zag, besefte ik dat ook de dapperste kerels door zoiets tot waanzin worden gedreven. Soms, als ik mijn straat inrijd, komt dat gevoel even terug. Door die verkeersdrempels.

In mijn eerste column schreef ik hoe groot de autoliefde onder Nederlanders is. Helaas beantwoorden onze wegenplanners en overheden die liefde met een even grote, kokende minachting. Anders kan ik niet verklaren waarom er zoveel drempels zijn. Als snelheidsremmers schieten ze hun doel al jaren voorbij. Het is gewoon autootje pesten, punt. Wist je dat de eerste verkeersdrempel in Nederland letterlijk een meter na de grens met Duitsland ligt? Typ die GPS-coördinaten in de voorgaande alinea maar eens in Google Maps. Daar ligt ie, vrijwel óp de grens, midden in de allereerste afrit.

En daarmee snap ik meteen waarom Röhrl nooit op vakantie in Nederland was. Maar weet je wat? Het lijkt erop dat hij binnenkort tóch in de buurt is, en we hebben ‘m zowaar gestrikt voor een interview. Als lezer mag je meepraten. Mail me op jeroen@de-schrijver.nl met één vraag die je aan Röhrl zou willen stellen en we proberen het mee te nemen.

 


Tags:
Print Friendly




Ton Roks
Ton Roks werkte meer dan 25 jaar voor het blad Autovisie, waarvan een groot deel als hoofdredacteur. In november 2012 vervulde hij een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.




Vorig bericht

Kleine jongens vinden benzine alleen maar stinken

Volgend bericht

De waarheid is dat prijzen van klassiekers niet voorspelbaar zijn omdat ze niet rationeel zijn





Bezoekers lazen ook


Uitgelicht

Kleine jongens vinden benzine alleen maar stinken

De hele bioscoop zuchtte. Het was ergens in november en de zaal was vól. Naast mij zat een vader met zijn zoontje. Jaar...

16 March 2015

Webdevelopment