Laatste nieuws

Derek Bell: ‘Iedereen hield van Stefan Bellof zoals hij was, de volgende ronde crashte hij’

Alle reportages / 4 juli 2015

In gesprek met Derek Bell in La Chartre-sur-le-Loir

derekbell-lachartre-5

Maar liefst vijf keer won hij de 24 Uur van Le Mans. Hij staat bekend als een van de beste endurance-coureurs die de autosport ooit heeft gekend. Toch blijven monoposto’s zijn eerste en grootste liefde, zo vertrouwt Derek Bell ons toe tijdens een gesprek op een historische locatie: het fameuze Hotel de France in La Chartre-sur-le-Loir, een slaperig dorpje op zo’n 40 kilometer van Le Mans, waar ooit Aston Martin DBR1’s, Ford GT40’s en Porsche 917’s werden klaargestoomd voor de 24 Heures. Het is een van Bells favoriete plekken op aarde, een goede reden om Octane langdurig te woord te staan.

We hebben met Bell afgesproken op de donderdag van het Le Mans-weekend. Vanavond vinden de twee laatste kwalificatiesessies van het weekend plaats, maar zover is het nog niet. Deze zonnige ochtend in La Chartre-sur-le-Loir staat voor ons in het teken van het verleden – hoewel Derek Bell ondanks zijn getaande gezicht nog lang niet overkomt als een oude man. Sterker nog, het vuur is geregeld in zijn ogen te zien als hij een van zijn stokpaardjes berijdt. De Brit die doorgaans zo flegmatiek overkomt, kijkt je dan strak aan, om zich ervan te verzekeren dat hij je volledige aandacht heeft.

Aandacht heeft de Octane-columnist deze ochtend trouwens voor iedereen. De tien minuten die Eurosport heeft bedongen, worden er twintig. Zijn fans, die in groten getale naar het hotel zijn gekomen waar hij al jaren stamgast is, laat hij pas in de steek als de laatste handtekening is gezet. Ons was vooraf een kwartiertje beloofd – we krijgen er drie. Het gezelschap waarmee we straks aan de lunch zitten, moet erop wachten. Wat scheelt, is dat Bell van deze plek houdt, met al zijn Franse charme, al heeft het hotel inmiddels een nieuwe Britse eigenaar.

“Vanaf 1971 heb ik hier bijna elk jaar gelogeerd. Tijdens mijn Le Mans-debuut voor Ferrari in 1970 sliep ik ergens midden in de stad, want het team had daar een garage gehuurd. Maar het jaar erop reed ik in de Porsche 917 van het team van John Wyer Automotive. JWA zat al met de GT40 in Hotel de France. En als teammanager van Aston Martin kwam Wyer hier al in de jaren vijftig, ten tijde van de DBR1.”

derekbell-lachartre-2

Derek Bell signeert geduldig voor al zijn fans, terwijl mevrouw Bell op de foto gaat.

“Tot en met 1975, toen ik met de Mirage van JWA voor het eerst Le Mans won, heb ik hier samen met het team gezeten. Daarna was het afgelopen met teams die hun auto’s buiten de stad prepareerden. In de daaropvolgende jaren met Renault-Alpine overnachtte ik in een prachtig château dat de Fransen hadden afgehuurd, maar daarna ben ik hier teruggekeerd. Ik vond het zo’n fijne plek. Toen ik voor Porsche reed, bleef ik hier een kamer boeken. En ook nu ik ben gestopt en alleen naar Le Mans kom als gast, is het Hotel de France mijn vaste stek.”

Derek Bell maakte het staartje mee van het tijdperk waarin auto’s in lokale garages werden geprepareerd en daarna over de openbare weg naar het circuit werden gereden. Ook op Spa en Zandvoort was dat lange tijd de gewoonste zaak van de wereld. Tegelijk racete Bell door tot in de jaren negentig, toen motoren al computergestuurd waren en chassis uit koolstofvezel werden vervaardigd. Was hij liever 20 jaar eerder geboren of 20 jaar later?

derekbell-lachartre-3

Veel autosportherinneringen aan de muur in Hotel de France.

“Vergis je niet, in mijn tijd reden we de auto’s al niet meer over de weg naar het circuit. Dat gebeurde nog wel met de GT40’s, maar de 917’s gingen netjes op transport. Maar als ik zou moeten kiezen, dan zou ik zeggen dat ik in de perfecte tijd ben geboren. Het was de tijd van de rauwe high-tech. Computers kwamen er nog niet aan te pas, maar de vliegtuigindustrie kwam wel bij de F1 kijken om iets te leren over aerodynamica. De Porsche 936 waarin ik in 1981 Le Mans won, was voor die tijd een ruimteschip! We gaven er alleen geen 400 of 500 miljoen aan uit. Pas later kwamen de fabrikanten met het echt grote geld.”

In zijn jonge jaren leek Bell af te stevenen op een glansrijke carrière bij Ferrari. Niet alleen kwam zijn Le Mans-debuut met Ferrari, hij debuteerde ook in de Formule 1 voor het team van Maranello. Uiteindelijk sloot hij zich aan bij een lange rij coureurs van wie de Ferrari-carrière eind jaren zestig op een fiasco uitliep.

“Achteraf is het best bijzonder: binnen een jaar van F3 naar F1, een beetje à la Max Verstappen”

“Ja, ik was een tijdje de nieuwste hit. Ik won zeven races op rij in de Formule 3 en versloeg daarbij de fabrieksauto’s van Cooper, Lotus en Tyrrell. In de Formule 2 ging het al net zo goed met mijn eigen Brabham, dus na een paar keer F2 belden de F1-teams al! Maar Ferrari kwam daar al gauw daaroverheen met een F2-aanbod met hun 166 Dino. Of ik op Monza de Lotteria-race wilde doen. Ja, natuurlijk! Dat was mijn eerste race als beroeps. Op Zandvoort reed ik ook mee, in die vreselijke race waarin Chris Lambert verongelukte. Voor ik het wist, had ik ook mijn F1-debuut gemaakt, datzelfde jaar nog, in de Gold Cup op Oulton Park. Daarna keerde ik op Monza terug voor mijn eerste WK-race.”

derekbell-lachartre-4

Een laat ontbijt in Hotel de France. Eigenaar Martin Overington zit midden achterin.

“Achteraf is dat best bijzonder: binnen een jaar van F3 naar F1, een beetje à la Max Verstappen, al was ik toen een stuk ouder. Ik zette de Ferrari neer op de derde rij, een tiende achter Jackie Stewart. Heel knap, zeg ik nu, maar toen was ik ontevreden! In de race had ik al snel pech, na vier ronden hield de brandstofpomp ermee op. Een paar ronden later crashte mijn teamgenoot Chris Amon iets verderop. Het was een zwaar ongeluk, hij leek ’t niet te hebben overleefd. Mijn zoon Justin was toen net drie maanden geboren en ik dacht even: ik stop. Maar toen kwam er een gedaante uit die stofwolk wandelen: er was niks met Chris aan de hand. Okee, dacht ik, dan ga ik nog wel 45 jaar door…”

“Het probleem met Ferrari was toen dat de auto niet goed genoeg was, zowel in de F1 als bij de sportwagens. Het was echt een van de slechtste periodes uit de geschiedenis van het team, die heel veel coureurs de kop heeft gekost. Sterker nog, ik wilde eigenlijk niet eens meer voor Ferrari rijden. John Wyer had me al een aanbod gedaan voor een van zijn GT40’s. Na een test op Thruxton zei hij: je rijdt met Rodriguez. Maar ik dacht: laat ik nu een gentleman zijn en het eerst aan Ferrari vragen, want ik geloof dat die Ford niet zo mag! Toen kreeg ik een telegram terug in typische Ferrari-stijl: ‘Eerbiedig je contract’. Een jaar later deed Wyer een nieuw aanbod en toen ging ik er wel op in: geweldige auto, fabrieksteam, zeg daar maar eens nee tegen.”

derekbell-lachartre-7

De laatste fans krijgen ook hun handtekening. De Gulf Mirage GR8 staat intussen te branden in de zon.

Al snel groeide Bell uit tot een sportwagenicoon, maar toch bleef hij tot 1976 in de single-seaters rijden: bij mindere F1-teams als Surtees en Tecno, maar ook in de Formule 5000. Dat rechtvaardigt de vraag of hij monoposto’s stiekem toch niet leuker vindt. “O ja!” beaamt hij meteen. “Er is niets beter dan een goede eenzitter! Zo direct, zo lichtvoetig, fantastisch. Ik denk nog met weemoed terug aan mijn F2-tijd. Formule 2 was toen echt dé formule, met alle F1-coureurs die buiten mededinging meeraceten, puur voor de overwinning.”

“Misschien dat ik in de Formule 1 had kunnen doorbreken als ik in mijn tweede race voor Ferrari niet was uitgevallen met een kapotte versnellingsbak. In die race op Watkins Glen had ik tweede kunnen worden. Ik was geen wereldkampioen geworden, in iemand als Jochen Rindt erken ik mijn meerdere. Maar ik weet zeker dat ik een carrière à la Barrichello of Coulthard had kunnen hebben als de kaarten wat anders waren geschud. Eigenlijk ging het toen allemaal te snel. Achteraf gezien was ik nog niet klaar voor de F1. In 1972-’73, toen ik in de sportscars voor Mirage reed, en Andretti en Peterson in hun Ferrari om de oren reed, toen was ik veel beter.” Beweert Bell daarmee dat hij zijn beste jaren aan de sportwagens heeft gegeven? “Ja, zo kun je dat zeker zeggen.”

derekbell-lachartre-8

Eindelijk klaar met signeren.

Het beste op dat vlak moest zelfs nog komen. In 1975, in het laatste jaar waarin Gulf het Mirage-project van John Wyer steunde, lukte ‘t: Bell won samen met Jacky Ickx zijn eerste Le Mans. De winnende auto van toen staat nu op het dorpsplein van La Chartre, recht voor het hotel, 40 jaar na die historische gebeurtenis. Roald Goethe van de Rofgo Collection stelde ‘m speciaal voor de gelegenheid beschikbaar. Hoe was ’t om er weer even in te zitten?

“Denk maar niet dat je het fris had door die open cockpit. Door de radiateur aan je voeten was het snikheet”

“Ik word helemaal blij van deze auto. Hij voelde aan als thuis. Maar ik was natuurlijk ook heel blij toen ik destijds na 24 uur uit de auto stapte! Ik kan me nog wel herinneren dat ik met mijn helm vlak onder de cockpitrand moest zitten, anders werd je hoofd van je lijf gerukt. Speciaal daarvoor werd de zitting iets verlaagd, wat weer een probleem was voor Jacky, want die is kleiner. En denk maar niet dat je het fris had door die open cockpit. Door de radiateur aan je voeten was het snikheet.”

“De voorbereiding voor de race liep ook niet helemaal optimaal. Ik kan me de vrijdagavond voorafgaand aan de race nog goed herinneren. Mijn hele familie overnachtte hier en het werd nogal een dolle boel. Op een gegeven moment hosten ze als zeven dronken dwergen door het restaurant. ’s Nachts kon ik niet slapen, een oorverdovend geronk hield me wakker. Ik dacht: wat zijn de muren hier dun! Uiteindelijk ging ik toch maar op de gang kijken: lag mijn neef te snurken op de gang. Hij had zijn kamer niet eens gehaald…”

derekbell-lachartre-10

Herinnering aan de Le Mans-editie die voor Derek Bell onvergetelijker was dan alle andere: die van 1995, toen zoon Justin zijn teamgenoot was.

In de race zelf ging het ook niet vanzelf, want de Cosworth DFV in de Gulf Mirage GR8 was in sportwagenafstelling weliswaar zuinig – wat goed van pas kwam voor het nieuwe brandstofreglement van de ACO – maar absoluut niet trillingsvrij. Het geluk voor Gulf was dat de concurrerende Ligiers – ook voorzien van DFV’s – nog veel meer last hadden van vibraties. “We moesten de auto echt thuisbrengen, maar daar was ik goed in”, legt Bell uit, alvorens hij ongevraagd losbarst in een vurig betoog. Het onderwerp is blijkbaar een gevoelige snaar die al vaker is geraakt.

“Maar begrijp me niet verkeerd: wij reden toen óók voluit. Het verschil wordt altijd enorm overdreven. ‘Nu is het 24 uur knallen, vroeger moesten ze rustig aan doen’, hoor je vaak zeggen. Eigenlijk was het voor ons veel moeilijker: wij moesten voluit gaan én op onze toeren letten om de bak te sparen én op de turbodruk letten om het verbruik binnen de perken te houden. Neem dat laatste: daar had ik een simpel metertje op mijn stuurwiel voor. Daarop stond of je op koers was voor 11, 12 of 13 ronden met één tank. Elk ronde winst per tankbeurt is 23 ronden aan het eind. Dus daar lette je wel op! Ook in het donker, op het rechte stuk naar Mulsanne, met een minuscuul lampje erop.”

“Ja, aan het eind ging je ’t rustiger aan doen, maar echt langzaam rijden is voor elke coureur moeilijk. Je gaat je in je rempunten en schakelmomenten vergissen, je raakt uit je concentratie. Wat vooral voor een goede endurance-coureur belangrijk is, is om een ander te laten gaan als die sneller is. Misschien heeft die ander wel net verse banden gehaald. Er kunnen zo veel goede redenen zijn waarom iemand op dat moment sneller is. Laat ‘m maar gaan, je komt later in de race wel weer tegen.”

derekbell-lachartre-11

Hotel de France is helemaal in oude glorie hersteld.

Bell heeft vele grote namen als teamgenoot gehad. Van coureurs van wie je niet meteen zou zeggen dat ze endurance-kwaliteiten hebben, zoals Peterson en Hunt, tot de beste endurance-coureurs uit de geschiedenis. Van beide categorieën laten we er Bell eentje uitkiezen. De Brit twijfelt niet: Bellof en Ickx. “Jacky Ickx is echt de beste endurance-coureur aller tijden. We vormden ook een goed team. We waren beide ongeveer even oud, al had Jacky meer ervaring met verschillende auto’s. Jacky wist precies wanneer je hard moest gaan en even rust moest nemen. Ik vertrouwde hem volledig als teamgenoot.”

En Bellof? “Ach ja, Stefan… Het snelste jonge talent met wie ik ooit heb gereden. Ik moest vaak langzamer rijden om zijn verbruik te compenseren! Hij was een wild paard dat beteugeld moest worden. Ik had gehoopt dat Ken Tyrrell dat in de Formule 1 zou doen, maar dat is onvoldoende gebeurd. Niet dat ik Ken iets kwalijk neem, hoor. Zo waren we allemaal. Ik weet nog dat ik op de Nürburgring het stuur overgaf aan Stefan. We hadden 3 minuten voorsprong, er was nog een uur te gaan. Hij kon bij wijze van spreken naar huis fietsen. Maar hij ging steeds sneller. Op een gegeven moment vroeg ik aan het team om het ‘Hold’-bord uit te hangen, want ik zag ’t misgaan. Maar het Porsche-team zei alleen maar: ‘Wat is hij toch briljant, hè?’ Iedereen hield van ‘m zoals hij was. De volgende ronde crashte hij. Weg overwinning.”

derekbell-lachartre-13

Ook zoon Justin Bell – tegenwoordig als commentator werkzaam bij Fox Sports – is een grote fan van zijn vader.

Bellof zou uiteindelijk dodelijk verongelukken op Spa, toen hij teamgenoot Jacky Ickx buitenom probeerde te passeren in Eau Rouge. “In mijn ogen had Jacky geen enkele schuld aan het ongeluk. Je haalt daar niet in. Dat kan gewoon niet. Ieder ander weet dat, maar Stefan was Stefan…”

“Het Porsche-team zei alleen maar: ‘Wat is hij toch briljant, hè?’ Iedereen hield van Stefan Bellof zoals hij was. De volgende ronde crashte hij”

Is de Porsche 956 die hij deelde met Ickx en later Bellof dan ook zijn favoriete auto? Of misschien toch de Mirage GR8 die buiten staat? “Nee, mijn favoriet is de 962C, de opvolger van de 956. Ik heb er de meeste successen in behaald: twee keer Le Mans, drie keer Daytona. In 1986-’87 zelfs vier keer op rij: Daytona, Le Mans, Daytona, Le Mans. Maar het was ook een verbazingwekkend makkelijke auto. Iedereen kan erin rijden! En die motor… geweldig. Daar kon je echt van op aan, die ging nooit stuk.”

derekbell-lachartre-14

Bell geeft uitleg aan twee Aston Martin-fans, terwijl de Nederlandse fotograaf Martin van der Hulst toekijkt.

De man achter de 956 en de 962C is dan ook de technicus die Bell het hoogste heeft zitten na al die jaren aan de endurance-top: Norbert Singer, het Porsche-genie. “Norbert had altijd een oplossing. Ik weet nog dat ik in 1994 in de Kremer K8 reed, zo’n Porsche-afgeleide van de gebroeders Kremer. Ground effect was verboden, dus de auto had een vlakke bodemplaat. Tijdens de tests hadden we last van enorme vibraties, zozeer dat de spiegels er spontaan aftrilden. Alles hadden we onderzocht: motor, differentieel, noem maar op. We konden ’t niet vinden. Totdat Norbert vroeg: hoe dik is je bodemplaat? ’12 mm’, zei ik. ‘Veel te dun’, zei Norbert meteen. ‘Dat ding gaat wapperen in de wind. Het moet minstens 18 mm zijn.’ Wij op Brno testen met 18 mm. Probleem weg.”

De K8 werd Bells voorlaatste Le Mans-auto, maar de laatste is voor hem toch het meest memorabel. “In 1995 en ’96 heb ik mijn Le Mans-carrière afgesloten met de McLaren F1-GTR. In 1995 deelde ik de Harrods-auto met Andy Wallace en mijn zoon Justin. Met je zoon in één team, dat is toch het mooiste dat er is. We werden uiteindelijk derde, dus Justin en ik hebben samen op dat podium gestaan, wat voor mij onvergetelijker is dan die vijf overwinningen. Maar we hebben ook 16 uur op kop gereden. Waardoor het nog altijd een beetje knaagt…”

derekbell-lachartre-17

Aan tafel met Roald Goethe (links), Derek Bell en Justin Bell.

Een herboren hotel

derekbell-lachartre-18

In dit laantje naast het hotel stonden vroeger de Aston Martins, GT40’s en 917’s opgesteld.

Hotel de France in La Chartre-sur-le-Loir druipt van de autosportgeschiedenis. Maar na de eeuwwisseling ging het tweesterrenhotel niet meer met zijn tijd mee. Totdat Martin Overington de zaak overnam. De Brit renoveert hotels voor zijn beroep en had een zwak ontwikkeld voor Hotel de France. Dat kwam niet in de laatste plaats doordat Overington óók een bescheiden verzamelaar van raceauto’s is. Zijn collectie is niet zo groot als die van Roald Goethe, die tijdens de lunch met Derek Bell ook onze tafelgenoot is, maar reikt wel van een Bentley Blower tot een Porsche 962C. De Porsche deelde hij op de afgelopen Goodwood Members’ Meeting nog met Bell.

Overington vertelt graag hoe het zo is gekomen. “Ik logeerde hier altijd tijdens de Le Mans Classic en heb ’t elke keer stiller zien worden. Op een keer kwam ik op het idee om het met de Bentley net zo te doen als ze vroeger deden: van Le Mans gewoon terug naar het hotel rijden, in je raceauto. Dus ik reed in de Bentley naar La Chartre, druipend van de olie kwam ik het hotel binnenstommelen. Waarop iemand zei: geweldig, jij zou eigenlijk dit hotel moeten kopen! Twee flessen wijn later was de zaak beklonken. Het duurde nog wel twee jaar voordat alle formaliteiten waren geregeld, maar de basis is toen gelegd.”

porsche962-martinoverington-1

De Porsche 962C van hoteleigenaar Martin Overington op de recente Goodwood Members’ Meeting.

“We hebben ’t vanaf het begin serieus genomen. We hebben het huis hiernaast gekocht, want ik wil geen eigenaar op afstand zijn. En mijn vrouw heeft zich er ook op gestort. Op het laatst kwamen we erachter dat de drankvergunning op naam stond. Die zat niet in de goodwill. De eerste tijd moesten we de drank dus altijd met wat eten verkopen, want dan mocht ’t wel. Er zijn toen heel wat nootjes doorheen gegaan! Mijn hotelmanager Sally Carpenter is toen avond na avond, nog zonder een woord Frans te spreken, hier in Le Mans de horeca-opleiding gaan volgen. Nu staat de vergunning op haar naam.”

Het echtpaar Overington haalde de bezem door het hotel, zonder iets van de oude charme te verwijderen. “We wilden er absoluut geen designhotel van maken. Het blijven ouderwets ingerichte kamers, maar wel met nieuwe matrassen en moderne faciliteiten. Het is in naam nog altijd een tweesterrenhotel en dat vind ik prima. Ik hoef ook absoluut niet de hoofdprijs voor een overnachting. Maar ik verzeker je: je logeerervaring is absoluut drie sterren, zeker als je autosportliefhebber bent!”

// Tekst en foto’s Mattijs Diepraam


Print Friendly, PDF & Email




Ton Roks

Ton Roks werkte meer dan 25 jaar voor het blad Autovisie, waarvan een groot deel als hoofdredacteur. In november 2012 vervulde hij een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.





Vorig bericht

Civic Type-R: de sushi smaakt hetzelfde

Volgend bericht

Mercedes-AMG C 63 S Estate, fijnste in tijden




Uitgelicht

Civic Type-R: de sushi smaakt hetzelfde

Honda heeft drie jaar de tijd genomen om de nieuwe Civic – geheel volgens traditie – om te toveren tot een Type R. Nu, vijf...

2 July 2015

Webdevelopment