Laatste nieuws

Vrijwel elke avond tikte hij ronkende artikelen uit, de typmachine op schoot

Alle columns / Jeroen Bruintjes / 16 maart 2015

Waarom rijden wij klassiekers? Het is een hobby, zeggen we dan. Nonsens. Postzegels verzamelen, dat is een hobby. Of modeltreinen laten rijden. Maar rijden in een klassieke auto, dat is psychologie. Soms is het een ego-kwestie, soms jeugdsentiment, soms een zucht naar glamour, meestal alles tegelijk. We vinden het fantastisch om zonder enig praktisch nut met een oeroude auto de Alpen of Pyreneeën te overwinnen. Dat is pas heroïek, roepen we, en we kloppen ons stiekem op de borst. Zo ook Octane-collega’s Mattijs en Bruno. Terecht, want ze doen in dit nummer meeslepend verslag van Parijs-Madrid, het moderne eerbetoon aan de legendarische rally uit 1903. We zouden meer van dat soort kerels moeten hebben.

In 1903, toen Europa nauwelijks verharde wegen had, toen het woord ‘petrolhead’ niet bestond, waren er al honderden mensen die hun leven op het spel zetten om maar zo lang en snel mogelijk in een auto te rijden. Velen van hen deden steeds weer mee aan zulke langeafstandsritten, ongeacht de tegenslagen, het gevaar en de ontberingen, verslaafd als ze waren geraakt aan juist die drie elementen. Op diezelfde verslaving dreven sindsdien epische rally’s als Luik-Sofia-Luik en de Rally Monte Carlo. Een Britse schrijfster, Rosie Thomas, omschreef het in haar boek Border Crossing als ‘rallysyndroom’. Er zijn twee symptomen die bij alle rallydeelnemers voorkomen. Het eerste: je kunt binnen een minuut wisselen van totale, afgronddiepe depressie (bijvoorbeeld als de auto onherstelbaar stuk gaat) naar ontembare euforie (als het onherstelbare tóch herstelbaar blijkt, zodat je alsnog op eigen kracht de finish van die dag haalt). Of omgekeerd. Het tweede symptoom: direct ná de rally roep je in alle overtuiging dat je zo’n tocht nooit, maar dan ook echt nooit meer gaat doen. Twee jaar later blader je door de advertenties van rallyorganisaties en vraag je jezelf af waar je het geld vandaan gaat halen om nóg een keer zo’n rit te maken.

Aan dat syndroom lijden veel lezers van Octane. Waarschijnlijk omdat we écht zware uitdagingen in het dagelijks leven moeten missen. Dat hoort nu eenmaal bij onze tijd, onze maatschappij. Ongeacht hoeveel geld we verdienen, ongeacht hoe we ’t als ondernemer of carrièretijger hebben gemaakt, ons leven is verder niet zo heroïsch. Over honderd jaar weet niemand meer wie ik was, en dat geldt voor de meesten van ons. Vergelijk ons eens met de avonturiers die decennia geleden lange autotochten maken. Vergelijk ons met Luigi Barzini. Een Italiaanse journalist die zo’n honderd jaar geleden voor zijn krant als correspondent meereed in de rit Peking-Parijs en daarmee de eerste serieuze rallyjournalist in de geschiedenis werd. Hij is al decennia dood, maar autoliefhebbers lezen zijn boek nog steeds. In die dagen kon slechts een miniem kleine elite zo’n reis maken. De rest van het volk was aangewezen op journalisten die je het idee konden geven dat je erbij was. Barzini was geliefd onder zijn lezers, zijn schrijfstijl zo beeldend en meeslepend dat er rijen voor de kiosken stonden. Als hij schreef, rook de krant naar benzine.

Een respectabel vak, want de journalist had alleen zijn woorden als middel. Barzini kon tijdens de rit absoluut geen foto’s versturen naar de redactie in Parijs, die technologie bestond simpelweg niet. Hij had alleen zijn typemachine en de telegraaf. Vrijwel elke avond tikte hij ronkende artikelen uit, de typmachine op schoot, en zocht de volgende dag een telegraafstation om het naar Parijs te seinen. In Mongolië en Siberië was dat nogal lastig. Beroemd is de anekdote van zijn telegram uit de Gobi-woestijn. Het telegraafstation in die nederzetting bestond al jaren, maar de telegrafist wist niet hoe hij een bericht moest versturen – Barzini was de eerste mens ooit die vanaf die plek wilde telegraferen.

Toen wij diezelfde rally deden, ruim honderd jaar later, wilde ik natuurlijk de nieuwe Barzini zijn. Dat viel me vies tegen. Ik had weliswaar een klein, stevig notebookje meegenomen en een satellietzender. Maar het schrijven zélf, elke avond weer, op het enige moment dat er tijd voor is, namelijk als je al in je bed hoort te liggen, oef. Geen wonder dat veel van mijn teksten uit die dagen deprimerend zijn. Ik schreef ze op het meest afgematte moment van het etmaal.

Ook ik zei later, “Nooit weer.” Intussen kom ik ervan terug. Het rallysyndroom. We hopen in 2015 op eigen houtje naar Mongolië te rijden. Tentje achterin en rijden maar. Onze enige voorwaarde is dat we mensen vinden die mee willen. Ik heb al heel velen gevraagd, maar zo’n groep échte autoliefhebbers bij elkaar krijgen, dat blijkt verdomd lastig. Geen tijd, niet genoeg vakantiedagen, mijn vrouw wil liever niet, mijn man wil liever niet, mijn baas wil liever niet – stuk voor stuk legitieme redenen natuurlijk, maar zijn we niet stiekem een héél klein beetje verwend geraakt? In Barzini’s tijd had iedereen zo’n kans met beide handen aangegrepen.

Hoewel? ‘Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’ Dat schreef Willem Elschot in 1910, drie jaar pas na Barzini’s reportage. Ook toen al spaarden velen liever postzegels.

 

 

 

 

 

 


Tags:
Print Friendly, PDF & Email




Ton Roks

Ton Roks werkte meer dan 25 jaar voor het blad Autovisie, waarvan een groot deel als hoofdredacteur. In november 2012 vervulde hij een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.





Vorig bericht

De waarheid is dat prijzen van klassiekers niet voorspelbaar zijn omdat ze niet rationeel zijn

Volgend bericht

Een auto, élke auto, wordt leuk zodra je er competitief mee kunt zijn





Bezoekers lazen ook


Uitgelicht

De waarheid is dat prijzen van klassiekers niet voorspelbaar zijn omdat ze niet rationeel zijn

Rokjesdag is een wonderlijke dag. Als bij toverslag zijn de straten ineens gevuld met blote benen. Dat schreef Martin Bril...

16 March 2015

Webdevelopment