Laatste nieuws

Auburn 12 Type 161

Reportages / 5 november 2019

Toen we bij Prins in Nunspeet de 8C Competizione terugbrachten, ontwaarden we warempel een Auburn in de loods van de afdeling Classics. Een Auburn is een zeldzame verschijning op de Europese wegen en dus vroegen we of we even… En ja, dat mocht. Niet lang daarna reden we het achterland van Nunspeet in met de grote Amerikaan.

Het had even wat tijd gekost om de grote twaalfcilinder aan te laten slaan – er zit slechts een 6 Volts accu in – maar toen hij eenmaal liep, gedroeg de Auburn zich keurig.

Een korte duik in de geschiedenis: in 1924 maakte Auburn, gevestigd in Indiana, veel meer auto’s dan het kon verkopen en stevende op een bankroet af. Toen meldde zich echter ene Errett Lobban Cord om Auburn terug op de rails te zetten, dat in opdracht van de bezorgde banken die het bedrijf financierden. Cord was een zeer ondernemende jongeman die voor zijn 21ste al drie keer $ 50.000 had verdiend met zakendoen – en vervolgens had verloren. Later ging het hem dusdanig goed dat hij Auburn kocht en vervolgens ook het nog prestigieuzere Duesenberg, plus een taxibedrijf, een luchtvaartmaatschappij en een rederij met vrachtschepen.

Cord maakte Auburn succesvol door niet alleen de zaak enigszins te reorganiseren, maar ook door het merk een V12 te geven. Dat was een technisch heel interessante motor, gebouwd door Lycoming, met een inhoud van 6,4 liter en goed voor niet minder dan 160 pk, genoeg om met gemak grote en zware koetswerken met gepaste haast voort te stuwen.

Toen hij in 1931 in de Auburn 12-160A op de markt kwam, verbaasde deze iedereen door de uitzonderlijk lage prijs van $ 975. Zo goedkoop had nog nooit iemand een auto met een V12 aangeboden. Hij kostte nota bene minder dan een achtcilinder Dodge. Dat bleek overigens eerder een probleem te zijn dan een voordeel, want de beoogde clientèle ging er van uit dat de lage prijs niet anders dan ten koste van de kwaliteit kon gaan – en meed vervolgens de prachtige Auburn. Het bedrijf heeft zich daardoor niet laten afschrikken en is verdergegaan met het ontwikkelen van de twaalfcilinder. Er volgden diverse versies, zoals de 12-161, de 12-161A en de 12-165.

Het exemplaar van Prins Classics is een 12-161, met chassisnummer 400, bouwjaar 1931. Het heeft een tweezits convertible carrosserie, met een uitvouwbaar bagagerek en een dickey-seat. Naar verluidt werden die in de kofferbak verborgen stoeltjes vroeger ingezet om schoonouders te vervoeren in de stille hoop dat het daar achterin voldoende winderig zou zijn om hen te ontmoedigen nogmaals om zo’n ritje te vragen.

Het lakwerk – in twee kleuren – staat de 12-161 buitengewoon goed en met het typische gevlochten gaas in zijn grille, de twee kanjers van koplampen en de knapen van trompettoeters is het een imposante verschijning.

Het is ook een indrukwekkend apparaat om mee op pad te zijn, je zit er uitgesproken diep in, ik voelde me weer even dat kind dat nog maar net over de rand van moeders badkuip heen kon kijken. Je moet je zelfs een beetje strekken om de voorschermen te zien en tussen wegversmallingen en ander goedbedoeld wegmeubilair door te manoeuvreren. Maar dat gaat allemaal goed, de Auburn is lang zo breed niet als zijn uitbundige spatborden vanaf de bok suggereren.

Je hebt een prachtig uitzicht, door de smalle voorruit over die lange rode neus, en je leert al snel het figuurtje op de radiatordop als vizier te gebruiken. Als het ornament zich vanuit de stuurmanpositie over de witte streep langs de berm beweegt, bevinden je wielen er zich precies naast – links ervan, op het asfalt dus, voor alle duidelijkheid.

Het nemen van bochten vraagt enige voorbereiding, dat wil zeggen, een zekere staat van paraatheid. Haakse curven, ook de ruimere, kunnen net niet met een fikse zwengel vanuit de schouder genomen worden, er is méér nodig, als je niet op het wegdek van tegenkomend verkeer terecht wilt komen. Je moet er echt op voorbereid zijn dat je moet ‘overpakken’.

De 6,4 liter V12, gevoed een Zenith-Stromberg carburateur – loopt superlangzaam stationair, ik weet niet welke toerental precies, want het dashboard – van fraai geborsteld aluminium – bevat geen teller, maar reken op een royaal stuk onder de 1000 krukasomwentelingen per minuut. Hij doet een beetje narrig bij het aanslaan, alsof je Sneeuwwitje op het verkeerde moment wekt, maar na een paar seconden is hij poeslief.

Hij heeft maar één ruitenwisser – kennelijk redeneerde men toen zo dat alleen de bestuurder goed zicht hoefde te hebben. Ik was voorbereid op double-de-clutchen, maar dat is helemaal niet nodig. Als je de versnellingen rustig maar beslist inlegt, gaat dat soepel en zonder enige wanklank.

De Auburn heeft een bak met drie versnellingen. Heel bijzonder is de schakelaar voor high en low op het dashboard. Deze automobiel heeft namelijk een Dual Ratio differentieel met een hoge en lage gearing – een voor stads en bergverkeer, en een voor snellere, open wegen. De V12 is een krachtpatser die zich zorgeloos laat mennen, het is een motor met een uitgesproken lange slag van 108 millimeter (de boring is 79,5 mm) en hij heeft daardoor een hoog koppel. Bij bijna elke snelheid neemt hij goed gas aan en gaat gehoorzaam aan het werk, het maakt niet uit in welke versnelling de bak staat. Je kunt met deze meer dan twee ton zware Auburn een hele dag in III high rondtoeren, net zo relaxt als Jay Gatsby in zijn Duesenberg, en zelfs haakse bochten nemen, als je deze maar met een beetje vaart ingaat.

De Auburn 12 was beschikbaar met diverse koetswerken, allemaal even elegant, dankzijn het talent van ontwerper Alan Leamy. De portieren van deze convertible tellen drie scharnieren, wat in die tijd duidde op een solide bouw, alleen duurdere automobielen als Auburns en Duesenbergs hadden dat. Ook de royale hoeveelheid diep glimmend chroom toont dat Auburn een positie onder de allerbesten nastreefde. In deze carrosseriestijl zijn er maar 1225 twaalfcilinders gemaakt, minder dan van de bekendere Boattail Speedsters welke voor bedragen verkocht worden die een veelvoud zijn van de € 195.000,– die Prins Classics voor deze Auburn vraagt.

Je komt niet vaak exemplaren van dit grote Amerikaanse merk tegen – zeker niet in onze contreien, en de 12 Type 161 moet een welkome verschijning zijn op elk concours in onze landen. Je kunt er zeker van zijn dat hij in zijn huidige geheel gerestaureerde staat een opvallende en gewaardeerde verschijning zal zijn – zeker tussen de altijd talrijk British Racing Green Bentley’s en zwarte Mercedessen.

Een video-impressie van onze dag met de Auburn en de Alfa’s: 

Tekst Ton Roks

Foto’s Luuk van Kaathoven


Tags: , , ,
Print Friendly, PDF & Email




Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

Citroën Dyane 6 (1981)

Volgend bericht

Essen Motor Show 2019





Bezoekers lazen ook


Uitgelicht

Citroën Dyane 6 (1981)

Om haar veertigste verjaardag op een bijzondere manier te markeren, heeft Anne Lobbes zichzelf een ‘kranige klassieke Citroën-dame’...

4 November 2019

Webdevelopment Passionate Bastards