Laatste nieuws

Automobiele geschiedschrijving

Man & Machine / 28 januari 2022

Arnout Doyer is, zoals hij zelf zegt, van het bouwjaar 1945 en houdt al een leven lang van mooie en bijzondere auto’s. Hij gaat terug in de tijd en vertelt ons over een Amilcar, Jeeps, Land Rovers, een E-type en nog veel meer. Geschiedschrijving met foto’s uit het familiealbum!

“Mijn liefde voor auto’s en motoren is al op jonge leeftijd begonnen. Mijn bouwjaar is 1945 en mijn ouders hadden in die tijd als vervoermiddel een Amilcar, de poor man’s Bugatti, waarschijnlijk een type CGSS met een 1074 cm3 viercilinder met 35 pk. Deze auto is van 1926 tot 1929 geproduceerd en er zijn 4700 exemplaren gemaakt. Toen ik later aan mijn vader vroeg waarom hij de auto verkocht had, zei hij dat hij er winst op kon maken en dat heb ik goed in mijn oren geknoopt. Andere leuke auto’s die we vroeger hebben gehad waren een Austin 8 Tourer uit de jaren ‘30, een Volkswagen Kever ‘Brilletje’ en een Studebaker Champion met een zescilinder zijklepmotor; een prachtige auto!

Terugkijkend heb ik nog altijd spijt dat ik mijn Alfa Romeo Giulietta Spider 1600 uit de jaren ‘60 verkocht heb voor 2500,- gulden (€ 1136), hetzelfde bedrag als waarvoor mijn vader hem gekocht had. Hij kocht er destijds een lasapparaat bij om te oefenen op de bedroevende kwaliteit van het Italiaanse plaatwerk in die tijd.

Mijn eerste auto was een trapauto waar je met twee personen in kon rijden! Toen ik 10 jaar was bouwde mijn vader een driewieler, aangedreven door de Berini hulpmotor van de bromfiets van mijn moeder. Berini was een Nederlands motortje, geproduceerd door BERtus, RInus en NIco, en dreef het wiel aan, net zoals bij de Solex. Met die driewieler ging ik de weg op, totdat een agent vond dat dat zo niet kon. Hier kreeg de televisie lucht van, waarna er opnames gemaakt zijn voor het kinderprogramma ‘De Verrekijker’. Dat werd elke woensdagmiddag uitgezonden, in een tijd dat we met de hele buurt televisiekeken bij een wat oudere man die een televisie had. Dat waren andere tijden!

In 1964, op de middelbare school, besloot ik om een Jeep te kopen, liefst een Willy’s of een Ford uit de oorlog. Maar in die tijd was er moeilijk aan te komen en ze waren erg duur doordat de meeste Jeeps in grote partijen door handelaren werden opgekocht bij Domeinen. De meeste verdwenen vervolgens naar het buitenland. In De Telegraaf vond ik echter een advertentie van autobedrijf Kooiman uit Ridderkerk, waarin Austin Jeeps te koop werden aangeboden. Het ging om de Austin Champ, afkomstig van het Engelse Rijnleger, voor een prijs van 1550 gulden. Deze auto’s hadden een motor van Rolls-Royce met een inhoud van 2838 cm3 en ze leverden 80 pk. Deze Champ’s konden net zo hard vooruit als achteruit, wat handig is als je snel moet kunnen terugtrekken. Ze zijn gemaakt van 1951 tot 1956. Op het motorblok zat een klein kokertje met de naam van de technicus die de motor had geassembleerd. De hele motor was overigens waterdicht en door de snorkel kon je ermee door diep water rijden. We hebben er een gekocht.

Nadat we alle rubbers van de remcilinders hadden vernieuwd en een kleinere sproeier hadden gemonteerd om het forse brandstofverbruik wat terug te brengen, ben ik met twee vrienden, met tent en bagage, naar Playa de Aro gereden. Onze tent stond op Camping Pinell en met de Jeep reden we gewoon het strand op. Het was een leuke vakantie en de Sangria werd ruim geconsumeerd, behalve door mijzelf, de enige in het gezelschap met een rijbewijs. Terug in Nederland heb ik nog een Austin Jeep gekocht en ook weer doorverkocht, voor 2250 gulden, dus met winst. De laatste reis naar de Côte d’Azur was in 1967, met achter de Jeep een Flying Junior zeilboot op de trailer.

Mijn wens om toch een Willy’s Jeep te kopen kwam uit toen een relatie van mijn vader, een boer die de auto gebruikte om melkbussen op het land te vervoeren, na lang aarzelen zijn Jeep wel wilde verkopen. Mijn vermoeden dat het rammeltje in de motor hier een rol in speelde werd bevestigd toen ik later ontdekte dat de morseketting tegen het deksel aanliep. Maar voor 1700  gulden was ik de koning te rijk! In die tijd studeerde ik geneeskunde en het was vakantie, dus ik besloot om met de restauratie te beginnen. Die zou uiteindelijk vier jaar in beslag nemen.

De Jeep is gemaakt van 1941 tot 1945. Willy’s produceerde ongeveer 363.000 stuks en Ford werd later ingeschakeld om bij te springen; dat werden er 277.896. De Jeep heeft een 2199 cm3 viercilinder zijklepmotor met een vermogen van 60 pk, drie versnellingen vooruit en weegt rijklaar 1041 kg. In die tijd was het niet eenvoudig om onderdelen te krijgen maar het is mij toch gelukt om alles te vinden dat ik nodig had. Veel kon ik vinden op een dump in de omgeving van Brussel, op de Ninoofse Steenweg. Als we daar heen  gingen was ik niet zomaar klaar en mijn vrouw was daar nooit zo blij mee. We zijn in 1972 getrouwd in een Jeep, niet in die van mij want die was nog niet klaar, maar in de auto van een kennis.

Met onze Jeep hebben we mooie ritten gemaakt met ‘Keep Them Rolling’, de vereniging voor instandhouding van historische militaire voertuigen uit ’40-’45. De herdenkingen van D-day in 1984 en in 1994 waren indrukwekkend, evenals de herdenkingsrit ‘Amsterdam dankt zijn Canadezen’ en ‘Hells Highway’, de herdenking van de operatie Market Garden. Ook weekendritten in de winterse Ardennen waren onvergetelijk. Wat ik nooit zal vergeten is de rit in 1994 naar Normandië. De Jeep liep niet lekker en eenmaal aangekomen in het kamp hebben de mannen van de club bij kunstlicht een klep vervangen. Met een biertje in de hand mocht ik alleen maar toekijken en de volgende dag kon ik gewoon meerijden. Nu wij in Zuid-Frankrijk wonen wordt de Jeep gebruikt om met de hond naar het bos te rijden.

In 1981 kocht ik een rode Alfa Romeo Spider 1600 uit 1974 van een vriend die zelf te lang was voor de auto. Er zitten zeldzame magnesium wielen onder van Alfa Delta, en een nieuwe kap en nieuwe rode jas maakten het af. Het meeste kluswerk kan ik zelf doen, maar het geschikt maken voor loodvrij (andere klepzetels) heb ik laten uitvoeren. Hij heeft nu 141.000 km gereden en de motor heeft nog nooit problemen gegeven. Het rijden in deze mooie Italiaan is genieten; dak naar beneden, die mooie grote toerenteller en snelheidsmeter en dat geluid! We hebben met onze zoon en dochter onze 25-jarige bruiloft gevierd door met de Alfa en de MG B Tourer  (1972) een week te gaan sturen in de Vogezen; tenten mee.

In Frankrijk, ergens in de buurt van de Col du Donon, ging de MG kuren vertonen, zo erg dat ik hem achter de Alfa naar de dichtstbijzijnde camping heb gesleept en de volgende dag geprobeerd heb om het probleem te vinden. De kompressie was goed, de vonk was goed en hij kreeg benzine, dus in principe zou hij moeten kunnen lopen. Niet dus, zelfs niet nadat ik de twee carburateurs had schoongemaakt. Tegenover de camping was een garage, maar die was dicht op Hemelvaartsdag. De volgende dag hebben we de MG naar de garage gesleept en het probleem uitgelegd. De garagist zei dat ik eerst maar eens de carburateurs moest schoonmaken.

Na herhaalde pogingen zag iemand dat er een ponsdop uit het inlaatspruitstuk verdwenen was.  Dat hebben we opgelost door er een kurk in de stoppen en daarmee liep de MG weer naar behoren. Nu zit er nog steeds een Engelse munt met precies de goede maat in. De MG hebben we, toen we naar Frankrijk vertrokken, aan onze zoon gegeven. Hij is ook met het autovirus besmet.

De volgende auto die ik nog steeds in bezit heb, is een Citroen 2CV 6 uit 1987. Gekocht in 1998, van de eerste eigenaar, met 51.500 km op de teller. Er moest wel een nieuw chassis onder, dus in de tuin heb ik de auto uit elkaar geschroefd en de klus geklaard. In de loop der jaren heb ik spatborden, wielen, dakje en nog wat kleine dingen vernieuwd en vorig jaar heb ik ook de carrosserie vervangen. Daarmee zijn alleen de motor, de banken, de motorkap, de kofferklep en de deuren nog origineel. De liefde voor de 2CV is in mijn studententijd begonnen. In die tijd reden de meeste studenten in een Eend of in een Renault 4. Mijn eerste was er een uit 1960, een 2CV De Luxe die ik kocht voor 600 gulden. Nu brengen gerestaureerde exemplaren € 30.000 op. Niet lang daarna had ik een 2CV uit 1971 gekocht en, met winst, aan een vriendje doorverkocht. Later heb ik nog een 2CV 4 gehad die op het laatst zo rot was dat hij op de sloop is geëindigd.

In mijn garage staat ook nog een Porsche Boxster S uit 2007. Toen we eenmaal in Frankrijk woonden wilde ik nog wat leuks erbij om lekker te sturen. Mijn wensenlijst bevatte een Donkervoort, een Morgan, een Honda S 2000, een nieuwere Alfa Spider, een BMW-cabrio en de Boxster. Door een actie van Autovisie had ik een keer in een Donkervoort gereden en als je dat eenmaal hebt gedaan, wil je er een hebben. Maar zowel nieuw als tweedehands waren ze veel te duur. Uiteindelijk vond ik in Toulouse een rode Boxster, van de eerste eigenaar, met slechts 12.000 km op te teller, voor een fatsoenlijke prijs. Inmiddels heb ik hem 11 jaar en het is echt een feest om lekker in te sturen. De mooiste bochten zijn bij ons niet ver en we zijn er ook mee naar Sicilië geweest om de route van de Targa Florio te rijden. De auto brengt nu ongeveer hetzelfde op als wat ik er indertijd voor betaald heb. Nieuwe Porsche’s zijn duur, maar oude zijn nog veel duurder.

Mijn liefde voor de Land Rover is begonnen toen een studievriend van mij terugkwam uit Malawi nadat hij daar een paar jaar had gewerkt. Met zijn daar gekochte auto was hij naar Nederland teruggereden. De vorige eigenaar was mevrouw Kadzamira, de partner van president Banda, bijgenaamd Kamuzu. In 1987 heb ik hem gekocht om mijn trailerbare boot te kunnen trekken. Het stuur zat rechts, maar dat went snel, maar de viercilinder benzinemotor was helaas niet sterk genoeg om 2000 kg te trekken. Dus heb ik hem weer verkocht aan een man die naar Engeland ging emigreren.

Toen kocht ik voor 5000 gulden een Range Rover, een tweedeurs uit de eerste serie; nu zijn die gerestaureerd erg duur. Het was een prima trekpaard, met een verbruik van 1 op 4, dat wel. Toen mijn vader in 1995 zijn 80ste verjaardag vierde, zijn we met de kinderen plus aanhang naar Frankrijk gereden om te gaan skiën in Auron. Op de terugweg ging het mis en een knal en een hoop rook betekenden het einde van de motor. Mijn vader heeft ons met zijn Peugeot 205 Diesel teruggesleept naar zijn huis in Frankrijk en we hebben de auto op een zondag neergezet bij een APK-station met de sleuteltjes erin en de nummerborden eraf. Bye bye, Range Rover.

Na een tip van een vriend kon ik een Land Rover Serie 3 kopen, van een clubje jagers die een Mitsubishi hadden gekocht. Hij was van de brandweer in Soest geweest en nu groen geschilderd, met slechts 60.000 km op de teller. Deze auto kon de boot prima trekken en we zijn er mee naar Zuid-Italië geweest om van daar naar Griekenland te zeilen. Wel reed ik met oordoppen in en heb ik ook erg sterke armen gekregen want er zat geen stuurbekrachtiging op. Toen wij naar Frankrijk verhuisden heb ik hem verkocht aan een vriend van onze zoon, voor meer euro’s dan ik er indertijd voor had betaald.

Het ging in 2015 toch weer kriebelen en ik kocht een witte Defender 110 uit 2008, met een 2,4-liter diesel. Het is een hele fijne auto, waar we mee naar Marokko zijn geweest, tot aan TanTan Plage. Toen ik daar in een garage de airco liet bijvullen zei de monteur toen ik terugkwam dat ik even mee moest komen. De Land Rover stond op de brug en hij liet me twee olielekkages zien, een bij de versnellingsbak en ook bij de voorwielaandrijving was olie te zien. Zelf wist ik zeker dat de auto niet lekte, dus ze hadden blijkbaar met een oliespuit wat olie op de versnellingsbak gespoten en bij de voorwielaandrijving waren een paar bouten losgedraaid. Daar trapte ik dus niet in. Vorig jaar heb ik de stoelen eruit gehaald en er twee bedden in gemaakt en een 12V koelkast geïnstalleerd. De hond kan ook mee en we hebben vier dagen proef gekampeerd, klaar voor meer avontuur dit jaar.

Tot slot het verhaal over mijn Jaguar E-type, een auto die ik helaas niet meer heb. Hij stond al heel lang op mijn verlanglijstje en ik knipte de advertenties uit de krant om de prijzen in de gaten te houden. Op het moment dat er een dip in de markt was stond ik op een beurs naar een E- type te kijken en raakte in gesprek met een boordwerktuigkundige naast mij. Hij vloog op Amerika en had daar twee E- types gevonden en naar Nederland gehaald. Een ervan kon ik kopen. Wat een auto, ‘sex op wielen’ heeft ooit iemand gezegd en ik vind het nog steeds de mooiste auto ooit gemaakt. Met de E-type gingen we een keer op bezoek bij vrienden en op de terugweg in de buurt van Hoevelaken ging het mis; na een klap en een hoop rook eindigden we op de vluchtstrook. De ANWB heeft ons naar huis gesleept en ik had weer iets te doen. Er zat een gat in het carter. Een moer van een big-end was er af gelopen en de drijfstang was door het carter geslagen. De motor heb ik eruit getakeld en gedemonteerd en laten reviseren. De kosten vielen gelukkig erg mee en het carter heb ik met vloeibaar metaal kunnen repareren.

In die tijd had ik een abonnement op Autovisie en in 1999 schreef Ton Roks, destijds hoofdredacteur, in het voorwoord dat ze deelnemers zochten voor een rally ter ere van de 45e verjaardag van het blad. De voorwaarden die aan de auto’s werden gesteld waren echter zodanig dat er niet veel reacties op kwamen, dus in het volgende nummer van het blad werden de eisen versoepeld! Daarmee zou ik mee kunnen doen met de Jeep, de Alfa, de MG, de 2CV of met de Jaguar. Ton Roks woonde niet ver weg en gewapend met foto’s ging ik bij hem op bezoek. Niet tevergeefs, want wat later kreeg ik bericht dat ik mee mocht doen, met de E-type. Het werd de NAZDROWIE-rally en samen met een Simca Versailles, een Matra Murena 2.2, een Delorean en een Chevrolet C10 pick-up, reden we een mooie rally naar Polen en we hebben nog gewonnen ook. Samen met Paul de Waal reed ik de trajecten met het minste aantal kilometers. Het is een mooi artikel in Autovisie geworden.

In 2006 zijn wij naar Frankrijk vertrokken en daar was helaas geen plek voor de Jaguar. In die tijd was het lastig om hem te verkopen, maar een cardioloog, die al een open E-type had, wilde hem graag hebben. Op de dag van verkoop ging ik nog even een afscheidsrondje rijden, totdat hij er opeens mee op hield! De rotor die ik net had vernieuwd was de boosdoener, dus heb ik de oude er weer ingezet en het probleem was opgelost. Altijd wat met die auto’s.

Dit was mijn verhaal over mijn ‘machines’. Er waren ook gemiste kansen zoals een Mercedes 190 SL en een Citroen 2CV ‘Sahara’ die mijn vader en ik helaas niet gekocht hebben. En ik zou nog kunnen vertellen over mijn tweewielers, variërend van een ABC uit 1920 tot en met een Ducati Panigale 1299 Final Edition, maar dat is nu niet aan de orde! Over de LaSalle van mijn overgrootvader Bertling weet ik helaas niet veel. Dus tot zover mijn geschiedschrijving.

 

 

Man & Machine

Jeeps, een E-type en nog meer

Arnout Doyer

 

 

 

 

 

 


Tags: , , , , , , , , ,



Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

De wonderlijke Mahy Collectie

Volgend bericht

65 jaar handtekeningen van autosporthelden - DEEL III





Bezoekers lazen ook


Meer historie

De wonderlijke Mahy Collectie

In Gent heeft het publiek een glimp mogen opvangen van een van ’s werelds grootste autocollecties, verzameld door de Belgische...

24 January 2022