Laatste nieuws

Ballot 3/8 LC, de blauwe bliksem

Reportages / Slider / 20 februari 2020

 

Ballots achtcilinder lijnmotor, de eerste motor ooit in die opstelling, verbaasde de autosportwereld door de eerste Italiaanse Grand Prix in 1921 te winnen. Octane reed ermee.

Er bestaat niet zoiets als een gewone achtcilinder lijnmotor. Qua ontwerp en prestaties zijn achtcilinders-in-lijn altijd bijzonder en ze werden dan ook alleen gebruikt in de meest prestigieuze limousines en racemachines. Isotta Fraschini was de allereerste fabrikant die acht cilinders op rij zette, in 1919, andere merken zoals Duesenberg, Alfa Romeo, Bugatti en Cadillac volgden… en Ballot!
Deze in Frans raceblauw gehulde Ballot 3/8 LC is absoluut een meesterwerk en was in zijn soort een tijdlang de snelste auto ter wereld. Zijn fantastische acht-in-lijn is een ontwerp van de bescheiden, maar geniale ontwerper Ernest Henry. Hoewel Ballot een meervoudig winnaar van races is, waaronder een heuse Grand Prix, en een deelnemer aan de Indianapolis 500, is de naam tegenwoordig vrijwel compleet vergeten.

Ballot was een Franse fabrikant, eerder alleen van motoren, later van complete auto’s. De gebroeders Edouard en Maurice Ballot vestigden hun bedrijf in 1905. Als ex-marine-officier koos Edouard een anker als embleem voor hun producten. Dat waren aanvankelijk motoren voor de vaart en voor de industrie, maar ze hielpen ook Ettore Bugatti met de ontwikkeling van zijn eerste motor. Ze begonnen in 1910 met de vervaardiging van hun eigen automotoren, maar pas na de Eerste Wereldoorlog zijn ze gestart met de bouw van complete auto’s, aangemoedigd door de mogelijkheden van succes in de autosport.
In 1919 was Europa nog niet toe aan serieuze autoraces. Daardoor was de Indianapolis 500 de wedstrijd die internationaal alle aandacht trok. De Franse coureur René Thomas, die de 500 al had gewonnen met een Delage, stelde Maurice Ballot voor aan de in Zwitserland geboren, briljante Ernest Henry. Zijn motoren voor Peugeot, de L76 en L3, hadden de autosport gedomineerd in de vooroorlogse jaren. Henry was in 1911 bij Peugeot terechtgekomen en had deze twee viercilinder motoren al op 27-jarige leeftijd ontworpen. Beide motoren, de 7,6 en 3,0 liter Lion, hadden twee bovenliggende nokkenassen en vier kleppen per cilinder. Met de L76 werden de concurrentie in de Franse Grand Prix van 1912 niet minder dan verpletterd en een jaar later werd er ook de 500 Mijlen van Indianapolis mee gewonnen.

Ballot chassis 1006, in de Indy 500 van 1920 met Chassange aan het stuur, Maurice Ballot staat achter de auto

Henry voegde zich in 1919 bij Ballot en ontwierp in slechts 101 dagen een 4,9 liter achtcilinder lijnmotor. De reglementen veranderden naar een maximale cilinderinhoud van 3,0 liter en prompt ontwierp hij daarvoor een 2,97 liter acht-in-lijn, en ook een 2,0 liter viercilinder, die allebei zouden uitgroeien tot racewinnaars.
Zijn eerste acht-in-lijn was een doorontwikkeling van de Peugeot viercilinder, die hij verbeterd had met een andere kop met hemisferische verbrandingskamers, uiteraard met twee bovenliggende nokkenassen en vier kleppen per cilinder, geplaatst onder een hoek van zestig graden. Die motor leverde een vermogen van 150 pk, waarmee de Ballot Indy-racer een top van ruim 190 km/h kon halen.

Vier van deze auto’s zijn in 1919 vanuit Le Havre naar Indianapolis verscheept. Eén daarvan vestigde een nieuw ronderecord in de kwalificatie met een gemiddelde snelheid van bijna 168 km/h. In de race waren er echter problemen met de banden, door een afgebroken wiel en een ongeval, maar uiteindelijk behaalde één van de Ballots de vierde plaats en een andere de elfde. Ironisch genoeg werd de race gewonnen door een Peugeot, met een door Henry ontworpen motor.
Maurice Ballot was teleurgesteld, maar investeerde toch $ 120.000 – een aanzienlijk bedrag, in die tijd – om een aantal nieuwe Ballots te laten deelnemen aan de nieuwe drie-liter formule. De auto op deze pagina’s, chassisnummer 1006, was een van de drie of vier exemplaren die opnieuw naar het westen zijn gestuurd om de Franse vlag te verdedigen. De drie Ballots in de Indy 500 van 1920 finishten tweede, vijfde en zevende, gereden door respectievelijk René Thomas, de Amerikaanse Italiaan Ralph DePalma en Jean Chassagne. DePalma had zich gekwalificeerd op polepositie en behield de leiding over 456 van de 500 mijlen met een gemiddelde van net geen 160 km/h, tot zijn auto vlam vatte en daarna zonder benzine stil kwam te staan.
Het jaar daarna was er maar één Ballot ingeschreven, voor DePalma, die opnieuw bewees bloedsnel te zijn. Hij leidde de race gedurende 200 mijl, maar in de 112e ronde brak er een drijfstang en dat was einde verhaal.

Het was duidelijk dat de Ballots heel veelbelovende racers waren en in 1921 werden er daarom drie ingeschreven voor de Grand Prix van de ACF op Le Mans. De voornaamste concurrentie kwam van de Duesenbergs, ook met achtcilinder lijnmotoren. Chassagne lag halverwege de race aan de leiding met een flinke voorsprong, maar toen scheurde zijn brandstoftank, waardoor de overwinning naar Jimmy Murphy in een Duesenberg ging.
Op 4 september 1921 proefde Ballot eindelijk de zoete smaak van de overwinning, in de Italiaanse Grand Prix in Brescia. De 3,0-liters van Jules Goux en Jean Chassagne domineerden de race. Ze eindigden als eerste en tweede, vóór Louis Wagner in een Fiat 802. De Fiat was de gedoodverfde winnaar geweest. De Italianen gebruikten een driehoekig circuit met lange rechte stukken, waarop vooral de Fiat tot zijn recht zou komen. De Ballot-rijders hadden op Indianapolis geleerd goed met hun banden om te gaan en reden de bochten relatief rustig. Daarmee spaarden ze het rubber en verbruikten minder brandstof, waardoor ze geen pitstop hoefden te maken. Bij het laatste optreden van het merk in Indianapolis werden twee Ballot 3,0-liters ingeschreven. De auto van Jules Goux brak zijn achteras en Eddie Hearne werd derde, achter twee Duesenbergs.

Maurice Ballot en zijn team richtten zich vervolgens op de 2,0-liter wagens en de drie resterende 3,0-liters werden verkocht – de vierde is waarschijnlijk op Le Mans total loss geraakt.
Chassisnummer 1006, de auto die de hoofdrol heeft in dit verhaal, werd aangekocht door Malcolm Campbell, de snelheidsrecord-jager en autohandelaar die er het nodige succes mee had. Hij lakte ‘m in een mooie blauwe kleur en noemde ‘m ‘Blue Bird’, zoals hij dat met de meeste van zijn race- en recordwagens deed. Hij verkocht de Ballot later aan ‘Bentley Boy’ Jack Dunfee. Die had er veel succes mee, hij startte tenminste 38 maal op Brooklands in allerhande handicap en vrije-formule races, waarbij hij viermaal won en liefst achttien keer op het podium eindigde.
De bevriende Australische racer Joan Richmond kocht de Ballot om in het seizoen 1933 te racen op Brooklands, maar al snel brak er een drijfstang en besloot hij de auto direct te verkopen. Captain Dennis Shipwright kocht de Ballot, repareerde het doorboorde carter en verkocht ‘m in 1940 door aan een zekere MC Crowley-Milling. Liefst vijfenzeventig jaar is de Ballot in bezit van diens familie gebleven. Hij kwam pas terug op de markt nadat Crowley-Milling’s neef, Humphrey Milling, in 2016 was overleden. De auto werd toen gekocht door de enthousiast Alexander Schaufler.
Alexander heeft een voorkeur voor auto’s met een interessante herkomst en is direct de historie van de Ballot met chassisnummer 1006 gaan onderzoeken. Het verhaal vanaf 1923 was duidelijk, maar wat de actieve racecarrière betreft, was dat een stuk minder. In die tijd gebeurde het vaak dat rijders binnen een team onderling van auto wisselden en daardoor bestond er lang onduidelijkheid welk exemplaar nou precies die Italiaanse Grand Prix had gewonnen.

Het merk Ballot heeft bestaan tot 1931. Toen is het overgenomen door Hispano-Suiza en daarna is er veel archiefmateriaal verloren gegaan. Zodoende is het niet eens zeker of er daadwerkelijk vier Ballots 3,0 liter zijn gebouwd, omdat er maar drie tegelijk hebben geracet. De chassisnummers van de eerste vier racers met 4,9 liter motor waren 1001, 1002, 1003 en 1004. Je zou dus verwachten dat de opvolgende drieliters 1005, 1006 en 1007 als chassisnummers hadden gekregen, maar in het Cité de l’Automobile (voorheen: Schlumpf) in Mulhouse staat er een met chassisnummer 1008. Dat is de auto waarmee René Thomas tweede werd in de 500 Mijlen van Indianapolis van 1920. Dat roept de vraag op of er wel ooit een nummer 1005 bestaan heeft. Misschien is dat het prototype geweest, dat waarschijnlijk total loss is gereden op Le Mans, in 1920. Misschien ook niet. Zeker is wel dat deze Ballot 3,0 liter, chassisnummer 1006, kloppende nummers heeft, evenals een bekende herkomst. Dankzij een langdurige restauratie in het bezit van de familie Milling is hij in uitstekende, authentieke conditie.
Het onderzoek van Alexander wijst uit dat dit exemplaar zevende is geworden in de Indy 500 van 1920, in de Franse GP van 1921 de finish niet heeft bereikt na langdurig op kop te hebben gereden en derde is geworden in de Indy van 1922. Hij is er nu ook van overtuigd dat dit de Ballot is die met startnummer 11 en Jules Goux aan het stuur de allereerste Italiaanse Grand Prix heeft gewonnen. Met behulp van moderne technieken kon aan de hand van de exacte plaatsing van klinknagels in de carrosserie, de plaats van de handgreep voor de meerijdende monteur, de posities van de tankdop en de handgreep van de handrem, plus een groot aantal onderdelen die allen een ingeslagen nummer ‘2’ dragen, worden vastgesteld dat dit inderdaad de winnaar van de Italiaanse Grand Prix is.

Gespoten in de correcte, originele kleur blauw staat de Ballot er keurig bij. Dit is geen ‘concours queen’ want Alexander en zijn vrouw Esmeralda rijden er geregeld rally’s en ritten mee. Op de vrijdag voor het Concours of Elegance bij Hampton Court Palace nodigde hij me uit om naar Coworth Park te komen om met de 1006 een mooi slingerparkoers te rijden door het ruim bemeten park rond het paleis.
Ik klim in de bestuurdersstoel. Het stuurwiel is enorm en staat rechtop. Het is gesigneerd door Chassange en verwisseld met dat in auto nummer 3, omdat elke coureur zo zijn eigen voorkeur had. Twee andere, recente modificaties zijn de montage van een elektrische ventilator om de motortemperatuur onder controle te houden en een elektrische startmotor, want het aanslingeren van de achtcilinder kan nogal een opgave zijn.

De acht-in-lijn draait opvallend snel stationair, wat tot gevolg heeft dat de eerste versnelling met zorg moet worden ingelegd. De rechtsgeplaatste versnellingspook volgt een H-patroon, maar de eerste versnelling zit rechtsachter, de twee naar voren, drie naar je toe en naar achteren en de vier weer naar voren. De achteruit-versnelling is mechanisch geblokkeerd. De koppeling heeft een zware en korte slag. Wegrijden gaat het beste als je de bak eerst even in de tweede versnelling zet om zijn inwendige tot rust te brengen, en dan terugschakelt naar de eerste versnelling. De koppeling – waarmee volgens de overlevering ook Campbell problemen had – is lastig, maar de Ballot heeft gelukkig zoveel koppel bij lage toeren dat hij niet afslaat. De eerste versnelling is opvallend lang, maar opnieuw geen probleem dankzij de trekkracht en het lage gewicht van de auto. Met ‘double-declutching’ de tweede versnelling inleggen gaat wel, als je het toerental maar flink laat terugzakken. De derde en vierde versnelling hebben een soort blokkering op de pook zelf, die je niet moet vergeten, anders wil hij niet naar de derde en vierde versnelling.
Geef hem de ruimte en de lichte, aerodynamische en krachtige Ballot is een genot om te rijden, dankzij de directe en supernauwkeurige besturing. De heel lange overbrengingen geven precies aan waarvoor de auto is bedoeld: hoge snelheden. Op de ‘Gum Dipped’ Firestones in ouderwetse ‘Indy-stijl’ voelt het chassis heel wendbaar en toch ‘gehoorzaam’ aan. De gevinde trommelremmen vragen om een stevige trap om de boel een beetje af te remmen, en een flinke ruk aan de handrem helpt goed wat extra vertragen.

Wat de Ballot meer dan speciaal maakt, is wel Ernest Henry’s fabuleuze achtcilinder lijnmotor. Hij is soepel en klinkt mooi sonoor, dankzij de ‘stille’ Brooklands-uitlaat. Hij wil graag toeren maken en als hij je de sporen geeft, naar de rode streep bij 3.800 toeren, verandert het geluid van een mooie, ingetogen grom in een brul die je nekharen overeind doet staan.
Ballot kwam vanuit het niets, maar werd opgeslokt door Hispano-Suiza, slechts elf jaar nadat de verbazingwekkende achtcilinder 3/8 LC deelnam aan de snelste autorace ter wereld, de Indianapolis 500. Chassisnummer 1006, één van de drie overlevenden van dit type, is in zeer goede conditie en klaar om zijn eigenaren heel veel plezier te geven.
Alexander Schaufler is bijzonder nauwkeurig geweest in het onderzoek naar de historie van 1006 en heeft zijn archief en fotocollectie ter beschikking gesteld voor een prachtige uitgave, twee delen in een cassette, met de simpele titel ‘Ballot’. De boeken zijn geschreven door Daniel Cabart en Gautam Sen, met fotografie van Makarand Baokar en vertellen zeer gedetailleerd de korte, maar indrukwekkende historie van het merk Ballot. Dat die historie blijft ‘leven’, danken we aan enthousiasten zoals Alexander, die deze machtige achtcilinders rijden op circuits en tijdens evenementen over de hele wereld.

Met dank aan Gautam Sen voor zijn samenvatting van de historie van Ballot 3/8 LC chassis 1006. De set boeken over Ballot is verkrijgbaar via www.daltonwatson.com.

Tekst Robert Coucher Foto’s Paul Harmer

BALLOT 3/8 LC (1920)
Motor 2.970 cm3, achtcilinder in lijn, twee bovenliggende nokkenassen, vier kleppen per cilinder, twee Claudel-Hobson carburateurs Vermogen 109 pk bij 3.800 min-1 Koppel 165 Nm Transmissie vierbak, handgeschakeld, achterwielaandrijving Besturing worm en rol Wielophangingen voor en achter starre assen met bladveren en frictieschokdempers Remmen trommels Gewicht circa 1.100 kg Topsnelheid 180 km/h


Tags: ,
Print Friendly, PDF & Email




Ton Roks
Na 25 jaar in de autojournalistiek vervulde Ton Roks in november 2012 een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.




Vorig bericht

Maserati Tipo 151: het had zo mooi kunnen zijn

Volgend bericht

PD26: Een eigen creatie




Uitgelicht

Maserati Tipo 151: het had zo mooi kunnen zijn

Als Maserati werk had gemaakt van de doorontwikkeling, had de Tipo 151 de hele wereld aangekund. Het merk met de drietand...

20 February 2020

Webdevelopment Passionate Bastards