Laatste nieuws

BUILD TOUGH: FORD F150 RAPTOR

Nieuwsberichten / Reisverslagen / 22 maart 2020

NAAR HET GRANDIOZE MONUMENT VALLEY, HET DECOR VAN DE GROTE KLASSIEKERS ONDER DE WESTERNS. NU MET EEN HEDENDAAGSE HELD IN DE HOOFDROL, DE FORD F150 RAPTOR.

Tekst & Foto’s  Ton Roks

Een vrouw haalt twee ruziënde ezels uit elkaar, een donkergrijze Raptor stopt voor het adobe Oatman hotel en een ‘Easy Rider’ parkeert zijn Harley. Op de houten gevel van een saloon hangt een portret van een vrouw met merkwaardige tatoeages op haar kin. Het is Olive Oatman, de Frontier heldin naar wie het stoffige woestijndorpje is vernoemd. In 1850 werd ze gekidnapt door indianen en met blauwe cactusinkt getatoeëerd, om vijf jaar later door haar broer te worden teruggevonden, geruild en meegenomen. Wat op een ‘bevrijding’ leek, is dat echter nimmer geworden – haar tijd met de indianen zou Olive later de gelukkigste van haar leven noemen. Een paar nieuwsgierige burro’s slenteren langs de Raptor, met volle buiken na te zijn gevoerd door de vrouw die verderop een winkel bestiert en haar best doet de ezels voor Oatman te behouden. Hun geschiedenis is onlosmakelijk met het ooit florerende goudzoekers stadje verbonden. De dieren trokken de smalle wagons met erts in de mijnen, maar toen elders een ader werd ontdekt die nog meer miljoenen beloofde, zijn de goudzoekers spoorslags vertrokken, en hebben hun burro’s achtergelaten.

We zijn vanuit LA, The City of Angels, op weg naar Monument Valley, met de jongste editie van de onvolprezen F150 Raptor, ontwikkeld door Ford’s Performance Team en Build Tough, aldus de korte maar krachtige fabrieksslogan. Hij ziet er (ongeveer) nog hetzelfde uit, maar onderhuids is er aardig wat veranderd. Er ligt geen V8 meer onder de immense motorkap, maar ‘slechts’ een 3,5-liter EcoBoost V6, met aan elke zijde een eigen turbo, dankzij welke het apparaat er 456 pk uitpompt, fors meer dan de Raptor ooit deed met zijn 6,2-liter V8. De Raptor, een verre nazaat van de F150 Lightning, is ‘awesomer than ever’, zo kopte de Amerikaanse pers na zijn verschijnen. Met recht, want met zijn 691 Nm koppel – ook royaal meer dan voorheen – gaat hij als ontketend, met dank aan de tientrapsautomaat die de zescilinder nog harder weet op te zwepen dan een Apache zijn mustang.

Het is een intimiderend apparaat – met zijn enorme wielen en banden en zijn immense matzwarte grille – dat je net zo vriendelijk begroet als de gebalde vuist van een bokser. De Raptor gaat voor niets of niemand opzij, de boodschap is duidelijk. Een bewering die kracht bijgezet wordt door de aluminium skidplate, die aan de kinbeschermer van een rugbyer doet denken. De indruk dat hij je elk moment een muilpeer kan verkopen wordt ook versterkt door de uitgebouwde spatschermen, die de Raptor zo breed maken dat er extra ‘ driving lights’ op zitten om ze te markeren. Hij meet 2,19 meter, en dat is exclusief de spiegels die zo groot zijn als laptopschermen. Het beest weegt dik 2500 kilo en is bijna 5,9 meter lang. Je zit mieters in de cockpit, in lekker ‘gekuipte’ Recaro’s en met een vorstelijke blik over de vierkante motorkap die met matzwarte ‘reptielschubben’ is gedecoreerd. De Raptor is net zo gezien als Sinterklaas in december, geregeld ontmoet ik opgestoken duimen en bij een benzinepomp komen zelfs vrouwen naar buiten met de vraag of ze even de motor mogen horen.

Na Oatman volgt een geweldig bergtraject westwaarts, over de Sitgreaves Pass, langs het oude tankstation van Cool Springs, naar Kingman. De weg maakte vroeger deel uit van Route ’66, waar hier en daar nog sporen van te zien zijn. Honderden gezinnen moeten hier gereden heb, in oude pick-ups met al hun huisraad erop, op zoek naar een beter leven in het westen.

Verderop in Kingman wordt The Mother Road ook in ere gehouden, onder meer met een museum en de Old Trails Garage, daterend uit 1915. Het was het eerste full service garagebedrijf in de stad en voor de inwoners markeerde het de overgang van paard en wagen naar de auto. In wezen is de Raptor, met zijn vijf zitplaatsen en forse laadbak, nu de ultieme opvolger van de huifkarren waarmee de pioniers woestijnen, rivieren en gebergten trotseerden. De Old Trails Garage wordt in keurige staat gehouden, en de namen van de merken die er verkocht en onderhouden werden sieren fier de gevel, inclusief een prachtige lichtreclame van het superieure merk Packard – met natuurlijk de slogan erbij: Ask The Man Who Owns One.

Na Kingman sturen we de Raptor niet Interstate 40 op, maar blijven de ’66 volgen, langs het gehucht Hackberry, waarvan nauwelijks meer over is dan de General Store. Die is zeker de moeite van een stop waard vanwege de oude benzinepompen, reclameborden en autowrakken die herinneren aan lang vervlogen tijden – koffie en fris hebben ze er ook.

Ik herken een stationwagen van Mercury, een Impala van Chevrolet en een strijdlustig uitziende rat rod pick-up, die minstens enkele flarden DNA met de Raptor gemeen moet hebben. “Here we keep history alive”, zegt de vrouw achter de balie van de General Store. En met een scheve glimlach: “It attracts tourists and we need that to keep us alive”.

Met een licht wiegende gang op de ondulaties in het wegdek gaat de Raptor verder naar het oosten. Het stuk van Route ’66 tussen Oatman en Ash Fork staat te boek als het langste, ononderbroken deel van de legendarische weg. Af en toe reikt het zicht heel ver en als er geen auto voor of achter de Raptor te zien is, kan het gaspedaal naar beneden. Hij is onmiskenbaar een stuk sneller dan zijn achtcilinder voorganger en als hij zich boos maakt, sprint hij in minder dan 5,5 seconden van 0 naar 100 km/h. Je gelooft je ogen niet als je voelt en ziet hoe gretig de mastodont de eindeloze strook asfalt met zijn machtige wielen een aframmeling geeft en achter zich laat. Af en toe vertragen we even om de oude, in ere herstelde reclames van Burma-Shave te lezen, een scheerschuim dat zonder borstel op de huid gesmeerd kon worden. Ze bestaan uit opeenvolgende borden, met daarop in delen en in rijm steeds een andere boodschap zoals ‘Past Schoolhouses / Take it slow / Let the little Shavers grow / Burma-Shave’ en ‘Big Mistake / Many Make / Rely on Horn / Instead of Brake / Burma-Shave’.

Van zijn tien versnellingen hebben de drie hoogste een overdrive-karakter om een laag brandstofverbruik te creëren waarachter de Raptor zich kan verschuilen in een groene wereld. Hij doet het zo gek nog niet. Met 120 km/h in de hoogste versnelling draait de V6 nauwelijks 2000 toeren en over de hele roadtrip zal hij zo’n 1 op 7,5 halen. De boordcomputer laat na voltanken een keer 1000 kilometer als actieradius zien, wat overigens vooral te danken is aan de inhoud van de tank: 136 liter. Het schijnt dat de skidplate onder de voorbumper niet alleen ontwikkeld is om de carterpan tegen een buikstoot te beschermen, maar ook om de rijwind van het chassis, de differentiëlen en de transmissie weg te leiden. Het brein van het beest moet het er maar druk mee hebben, steeds maar kiezen tussen die tien versnellingen, maar het slaagt er goed in het toerental in het gebied te houden waar de V6 de grootste biceps heeft. In de normale stand schakelt de bak ongemerkt en snel, en als je wilt kun je zelf schakelen met de magnesium (!) flippers aan het stuurwiel. In de stand Sport verliest de transmissie iets van zijn fijnzinnigheid, maar de goed voelbare schakelschokken storen niet, ze dragen eerder bij aan de sensatie de teugels van een absolute geweldenaar in handen te hebben.

In de verte wordt de Ford soms vergezeld door kleurige goederentreinen, met dikwijls vier locomotieven en altijd ontelbare wagons, als volgegeten slangen kruipen ze langzaam door de woestijn.

Ik kan het niet laten voortdurend de roestige auto’s langs de weg of op de sloperijen te inspecteren. Ik weet dat als er iets bijzonders zou staan, het allang ontdekt zou zijn, maar toch… Misschien is het hun roestige schoonheid die me ook aantrekt, of zijn het de puzzels die ze steeds aanbieden – welk merk en type ben ik nu precies? Het kan ook het verhaal zijn dat die oude auto’s zwijgend vertellen, ze zijn mensen jarenlang ten dienste geweest, ze hebben er grote reizen mee gemaakt, avonturen beleefd en ze hebben er lief en leed in gedeeld. Soms zie je daar nog sporen van als je naar binnen kijkt.

Na Seligman en Williams, waar de middenstand ook zijn best doet zo veel mogelijk nering uit Route ’66 te halen, dendert de Raptor via de 98 en 160 richting Monument Valley, de hoofdbestemming. Een korte stop bij de Dinosaur Tracks, waar de Raptor onder vrienden is – er zijn echter geen versteende voetstappen van raptors, maar wel van de tyrannosaurus rex, wiens talent voor bruut geweld hij deelt. De indiaanse gids keurt de grote Ford geen blik waardig – hij aanbidt andere goden. Hij slentert de rotswoestijn in en wijst de afdrukken aan van de prehistorische monsters, lang geleden gemaakt in de modder van een moeras dat hier ooit was, maar is opgedroogd. Zodra we pootafdrukken zien, spuit hij er water op om ze beter zichtbaar te maken. “Hier is een vliegende dinosauriër geland”, zegt hij. “Kijk maar naar de sporen, ze zijn klein maar veel dieper dan alle andere, vooral de nagels.” Feilloos weet de indiaan de afdrukken te vinden – hij heeft hier waarschijnlijk meer mijlen achter zich dan al die dino’s samen. Hij klopt op iets dat op een versteende tak lijkt, ingebed in de rotsen. “Luister, het is hol, dit is de ruggengraat van een dinosauriër. Kom mee, verderop liggen eieren en een schedel.”

Monument Valley is werkelijk schitterend. Het landschap is eindeloos mooi en de enorme rotspartijen en plateaus rijzen uit het rode landschap op als silhouetten van kathedralen, paleizen en wolkenkrabbers van een vreemde beschaving, als van een lost city van ver voor onze tijd.

Waarschijnlijk heb je Monument Valley al weleens gezien zonder er ooit geweest te zijn. Het ‘achtste wereldwonder’, zoals een bord onderweg verklaart, was namelijk het favoriete decor van de grootmeester van de western, John Ford, die er de klassieker ‘Stage

Coach’ en later zijn trilogie ‘Fort Apache’, ‘She Wore a Yellow Ribbon’ en ‘Rio Grande’ opnam. Voor iedereen die vroeger naar cowboyfilms keek, verzinnebeeldt Monument Valley het zogenaamde Wilde Westen. Heel de wereld weet het te vinden, en velen kunnen niet nalaten op Highway 163 midden op het asfalt te gaan zitten en een selfie te nemen met – ik geef het toe – een indrukwekkende achtergrond. De plek is nog bekender geworden door de film ‘Forrest Gump’ en is daar inmiddels naar vernoemd.

Monument Valley heeft een paar schitterende uitdagingen te bieden voor een goed bewapende pick-up truck als de F150 Raptor, zoals de 26 kilometer lange dirt road door The Valley of the Gods. Je vindt hem een flink stuk voorbij Mexican Hat. De vraag waarom dat gehucht zo heet, wordt beantwoord door een kanjer van een rotspartij in de verte, met daar bovenop een enorme platte steen. Het lijkt alsof er een reusachtige Mexicaan op een rots voor zich uit zit te kijken – met een sombrero op uiteraard.

De weg door The Valley of the Gods is geweldig om te rijden, in 2WD laat de Raptor opgewekt zijn achterwielen spinnen, een beetje gas is al genoeg. Af en toe is de weg als een wasbord zo hobbelig, maar de Raptor maakt er vrij moeiteloos een redelijk vlak traject van – al wil de starre achteras een enkele keer dribbelen. Met wat tegenstuur en gas trek je hem echter onmiddellijk weer in het gareel. Ook vanwege het landschap wil je deze weg niet missen. De steile wanden van rode steen, met allerlei lagen met verschillende tinten, lijken reusachtige spekkoeken. Het is adembenemend mooi, en hoewel de dirt road inviteert tot gasgeven, zet ik de Raptor diverse malen stil om de schoonheid van het landschap in me op te nemen. Het navigatiesysteem laat zien dat sommige extreme rotspartijen namen hebben, zoals ‘De Gaulle and his Troups’, ‘Rudolph and Santa Claus’ en ‘The Fat Lady in the Bathtub’. Als je een ervan eenmaal in het oog hebt, is je onmiddellijk duidelijk waarom de rotsformaties heten zoals ze heten.

De Raptor heeft uiteraard een lage gearing, maar die heb je niet snel nodig omdat zijn klimvermogen in de hoge gearing al fors is. Overigens, als je low rijdt, staat de bak al bij 15 miles per hour (25 km/h) in V. Met deze Ford kun je – bewezen! – de productieklasse van Dakar winnen, het kan dan ook nauwelijks een verrassing zijn dat je met fors geweld over dirt tracks kunt daveren. Het vraagt enige moed en je moet vertrouwen opbouwen in de vierwielaandrijving, de knapen van banden en het onderstel. Als je dat eenmaal hebt en het gas erop houdt, kun je tot snelheden komen met drie cijfers op de meter, en dan gaat het over mijlen per uur, in kilometers per uur is dat dus maal 1,6. Het is echter oppassen op paden waar veel keien en kleine rotsen liggen, onder de malende BF Goodrich All-Terrains kunnen ze gaan rollen en dat kan de Raptor uit zijn koers brengen totdat hij weer vaste grond onder zich voelt.

Hij draagt overigens 17-inch wielen die bead lock ready zijn. Bij normale auto’s is de bandenspanning voldoende om de hiel van de band tegen de rand van de velg vast te drukken – bij een voertuig dat extreem gebruikt wordt in het terrein kan dat onvoldoende zijn en monteer je bead locks, ringen die op de wielen worden vastgezet met bouten en die de hielen van de banden vastklemmen. Ze maken het ook mogelijk met heel lage spanning te rijden.

Het is verrassend hoe solide zo’n Raptor gebouwd is. Bij snelheden waarbij je verwacht dat er elk moment een demper door de motorkap of de bodem van de laadbak kan steken, davert hij onverstoorbaar door. Die enkele keren dat ik van het gas af ga is dat omdat ik het zelf wel mooi genoeg vind, en niet omdat de Raptor vraagt de handdoek in de ring te gooien. Het geheim is natuurlijk het beresterke chassis, op diverse plaatsen verstevigd en met extra zware bevestigingspunten voor veren en dempers. Daarnaast zijn de veeruitslagen heel groot, vóór kunnen de wielen 33 centimeter ‘vallen’ en achter zelfs meer dan 35 centimeter. Ze worden streng in toom gehouden door kanjers van actieve dempers, Fox 3.0 Internal Bypass genaamd, die niet alleen een diameter van 7,6 centimeter hebben maar ook 44 procent meer vloeistof bevatten dan voorheen. Ze doen hun werk verbazingwekkend goed, het is bijna een mega prestatie dat Ford SVT een voertuig dat in staat is zware mishandeling offroad te verdragen – en daar ook nog geweldig presteert – zo goed kan laten rijden op asfalt. Er is geen extreem hellen of duiken van de carrosserie, alles is geweldig onder controle.

Toe gegeven, de BF Goodriches geven op asfalt niet de maximale grip, maar ze hebben wel een zodanig vergevingsgezind karakter dat de grote Ford zich uitstekend blijft gedragen als je overmoedig de limieten nadert. De dempers helpen actief mee om rollen om de lengteas tegen te gaan, in snelle bochten worden ze bij de ‘buitenste’ wielen harder. Via sensoren ‘voelen’ ze steeds wat er van ze verlangd wordt, waardoor de Raptor zich op de Interstates als comfortabele kilometervreter gedraagt en op bochtige wegen dapper mee doet. Je zou het bijna niet geloven, maar als je naar de waaier van omstandigheden kijkt waarin hij zich alle maal weet te handhaven, is zijn repertoire een stuk breder dan dat van de beste Mustang.

De volgende missie voor de Raptor is een weg van een ander kaliber: de Moki Dugway, een steile dirt road die je via een reeks van haarspelden (hier ‘switchbacks’ en ‘goosenecks’ genoemd) binnen luttele kilometers naar een punt brengt dat als een horizonbrede vestingwand boven de vallei uittorent. Voor de Mormonen, die hier 130 jaar geleden als pioniers kwamen met hun karren en wagens, moet het massief een onneembare hindernis hebben geleken, die ze de moed diep in hun versleten schoenen deed zakken.

Het geratel van hun karrenwielen is lang geleden verstomd. Je hoort niets bovenaan de Moki Dugway, alleen de roffel van de Raptor als hij omhoog dendert. Ik heb de weg drie keer feestelijk op en neer gereden, beroepshalve, om de driving modes uit te proberen. Je kunt de stabiliteitscontrole helemaal uitzetten, maar met een gevaarte van 2,5 ton, op een oneven ondergrond en met verontrustende diepten naast je, is dat niet zo verstandig. Als je per se de onderkant van de Raptor wilt zien zonder een hefbrug te gebruiken, kun je dat beter doen door simpelweg op je knieën te zakken – de grondspeling is er groot genoeg voor.

 

Een verrassend effectieve driving mode is ‘Baja’, vernoemd naar de beroemde offroad race. De stabiliteitscontrole geeft daarin meer dan voldoende vrijheid om met de Raptor te stoeien, hij grijpt echter bijtijds snel, soepel en efficiënt in. Ook het ABS doet het kalmer aan, waardoor de voorbanden enigszins blokkeren bij het remmen – daarmee schud je rapper tempo af op een zachte ondergrond.

In standje ‘Baja’ wordt ook het motormanagement beïnvloed; als je gas loslaat wordt er geen benzine meer ‘Het uitzicht over het prehistorische landschap is ongelooflijk, je voelt je alsof je het einde van de wereld hebt bereikt’ ingespoten maar blijven de gaskleppen open, waardoor er lucht door de motor blijft stromen en de turbo’s blijven spinnen – daardoor reageert de V6 sneller als je weer op het gas gaat staan. De transmissie helpt je door het toerental slechts een paar honderd toeren van het rood af te houden, waardoor je onmiddellijk een ultra parate reactie op het gas krijgt. Het uitzicht vanaf de Moki Dugway is prachtig. The Valley of the Gods is in al zijn uitgestrektheid nog mooier en de rode rotspartijen lijken tot aan de hemel te reiken.

Als je denkt dat het niet mooier kan, sla dan een stukje verderop linksaf naar Muley Point. Met een gewone auto kun je niet tot aan de rand rijden, maar met de Raptor is dat geen enkel probleem. Daar heb ik hem voor het eerst in de lage gearing gezet om hem in de kruipstand koelbloedig – en vooral zo langzaam mogelijk – naar het randje van de rode klif te manoeuvreren.

Het uitzicht over het prehistorische landschap is daar ongelooflijk, je voelt je alsof je het einde van de wereld hebt bereikt.

Twee dagen later, als ik de Raptor in Los Angeles inlever, sudderen de indrukken nog na. En niet alleen door de landschappen… Voor Nederland is de Raptor wellicht niet zo geschikt, maar in de USA, waar men wat minder in de ondergang van de wereld gelooft en het beest af en toe ongehinderd zijn benen kan strekken, is het een geweldige auto. Ongelooflijk dat Ford hem voor iets meer dan $ 50.000 kan leveren, een auto die zo snel, zo sterk en zo alomvattend competent is. Als het einde van de wereld toch een keer komt, zorg dan dat je in een Raptor zit.

Tekst & foto’s: Ton Roks


Tags: , , , , ,
Print Friendly, PDF & Email




Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

Honda NSX (1991)

Volgend bericht

Fiatjes, jeugdauto's en caravans





Bezoekers lazen ook


Uitgelicht

Honda NSX (1991)

‘Yume no chikara’ is Japans voor ‘The power of dreams’, een door Honda gebruikte reclameslogan. Bart Theys heeft...

21 March 2020

Webdevelopment Passionate Bastards