Laatste nieuws

De indringer die Europa veroverde

Reportages / Slider / 19 augustus 2019

De Cunningham C4-RK reed in 1952 de 24 Uren van Le Mans en bezorgde Cunningham een forse lading respect. Deze grotendeels originele ‘continuation’ verdient minstens zo veel eerbied.

Reken erop dat een ontmoeting met de Cunningham C4-RK verrassend is. Hij is in het echt namelijk veel groter dan foto’s doen vermoeden. Dat komt doordat alle raamoppervlakken klein zijn, de stoelen dicht op elkaar staan en de daklijn zo laag mogelijk is gehouden. Daardoor lijkt de Cunningham heel compact. De gigantische wielen – 16-inch Halibrands met period correct rubber van Firestone – doen daar niets aan af, omdat de sierlijke en gedrongen carrosserie er zo mooi boven ‘zweeft’. Er zijn ook nog de details die de Amerikaanse racer kleiner doen lijken, zoals de aerodynamische deurklinken, die in de carrosserie verzonken zijn en dezelfde kleur hebben, waardoor ze lijken te ontbreken. Overigens zijn de deuren van de C4-RK ontzettend dik. Niet voor de veiligheid, maar omdat de eigenlijke cockpit zo smal is en de flanken zo breed zijn. Zit je eenmaal in de kuipstoel en heb je de grote houten stuurwielrand vastgepakt, dan ontdek je dat er binnenin meer ruimte en comfort is dan je aanvankelijk dacht. Leuker nog, dankzij de smalle maar brede ramen voor en naast je, waan je jezelf in de cockpit van een gevechtsvliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog. De met de hand geverfde labels bij de schakelaars en kaarten met daarop de versnellingsbakverhoudingen, maken de illusie dat je in een P-51 Mustang zit helemaal compleet.

De auto op deze pagina’s is een Cunningham C4-RK. Dit exemplaar is een ‘continuation’, gemaakt van zowel originele als nieuwe onderdelen. Daarover later meer, want we gaan eerst terug naar de 24 Uren van Le Mans van 1952. Er waren meer dan 400.000 mensen op het evenement afgekomen, waarvan een groot deel om te zien hoe de Amerikaanse ‘indringers’ het ervan af zouden brengen tegen de Europese automerken. Briggs Cunningham, sportman en gentleman racer, was er voor de derde keer met zijn volledig Amerikaanse team. Ditmaal deed hij een poging om de 24 Uren te winnen met de nieuwe C4-R roadsters en de C4-RK coupé, die het moesten opnemen tegen auto’s als de Mercedes 300 SL, Ferrari 340 America, Aston Martin DB3 en Jaguar’s winnende auto van vorig jaar, de C-type.
Na het klinken van het startsignaal sprintte Phil Walters de baan over en klom in de witte C4-RK, om de derde plek in te nemen achter teamgenoot John Fitch in de C4-R en de leidende Talbot. Al in de eerste ronde werd de situatie anders. Uit de laatste bocht kwam als eerste een Cunningham. Voorop in ’s werelds belangrijkste race reed de C4-RK, een in eigen huis gebouwde racemachine van een Amerikaanse sportheld, en de Europese fabrieksteams hadden het nakijken. Helaas bleek de overwinning niet voor Cunningham en zijn team te zijn weggelegd. Een van de C4-R’s eindigde echter op de vierde plaats en versloeg daarmee alle Ferrari’s, Jaguars én Aston Martins. Een geweldige prestatie en een harde wake-up call voor de Europeanen, die zich na tien jaar snoozen zou herhalen toen Carroll Shelby – geïnspireerd door Cunningham – met de Ford GT40 alsnog een zegen op Le Mans naar Amerika haalde.

De originele Cunningham C4-RK – met zijn aerodynamische Kamm tail – werd tijdens Le Mans 1952 geflankeerd door zijn roadster-broers

Briggs Swift Cunningham II was een sportman van de oude school, een naoorlogse en Amerikaanse versie van de Europese gentleman racers van vóór de oorlog. Hij werd in 1907 geboren in Cincinnati en groeide op onder de vleugels van de steenrijke familie Cunningham. Briggs was zeer competitief ingesteld en deed daarom mee aan autoraces en atletiek- en zeilwedstrijden. Zo won hij in 1958 de eerste naoorlogse editie van de America’s Cup, een van de meest prestigieuze zeilregatta’s. Zijn grootste ambitie was het winnen van de 24 Uren van Le Mans met een volledig Amerikaans team, een uitdaging die hij in 1950 voor het eerst aanging, toen met twee Cadillacs. De één was een tot raceauto omgebouwde Coupe De Ville, de ander een futuristisch wigvorming voertuig – gemaakt door de ingenieurs van vliegtuigbouwer Grumman – dat door het Franse publiek schertsend ‘Le Monstre’ werd genoemd. De auto’s maakten een respectabel debuut door op de tiende en elfde plaats te finishen. Voor Briggs was enkel de overwinning genoeg, dus een jaar later was hij er weer. Ditmaal met maar liefst drie exemplaren van zijn eigen racer, de C2-R, uitgerust met Amerika’s geheime wapen in de vorm van de gloednieuwe 5,4-liter Chrysler Hemi V8. Chrysler kon wel wat publiciteit gebruiken voor zijn nieuwe krachtbron, dus bouwde het speciaal voor Cunningham een raceversie van de V8, met de kennis die het had opgedaan met de ontwikkeling van de Hemi V16 voor de Thunderbolt straaljager. In racetrim leverde Chryslers Fire Power V8 meer dan 220 pk, waardoor Phil Walters tijdens de vrije training van Le Mans de snelste rondetijd had kunnen neerzetten. Helaas veroorzaakte het hoge gewicht van de auto’s – circa 1.400 kg – tijdens de race remproblemen. De C2-R van Walters was de enige Cunningham die de wedstrijd uitreed. Hij werd afgevlagd op een teleurstellende 18de plaats, maar had wel laten zien dat de C2-R’s met hun Chrysler V8 snel en betrouwbaar genoeg waren om de race te winnen.

De Chrysler V8 met vier carburateurs levert 340 pk en heeft koppel in overvloed

Cunningham hoefde enkel nog de remproblemen op te lossen. Dat lukte door een smaller en lichter chassis te bouwen, waardoor het gewicht van de roadster naar circa 1.100 kg daalde. Chrysler deed ook een duit in het zakje door grotere, aluminium trommelremmen (13 inch in doorsnee) met koelvinnen te ontwikkelen. Het leverde bovendien speciale wielen die zo gemaakt waren dat ze hielpen bij het koelen van de nieuwe remmen door, tijdens het rijden, warme lucht bij de trommels weg te trekken. In theorie waren de remproblemen daarmee opgelost en de Amerikanen besloten om de C4-R – de nieuwe versie van de C2-R – nog sneller te maken op het lange rechte stuk van Le Mans. Chrysler leverde daarvoor een nog sterkere versie van de V8 en Cunningham verkleinde het frontaaloppervlak van de auto door de koets lager en smaller te maken. Ook de gloednieuwe C4-RK, de coupéversie van de C4-R, werd op aerodynamisch vlak verbeterd, met dank aan Dr. Wunibald Kamm. Hij zag in maart 1952 het levensgrote kleimodel van de auto en stelde voor om de staart van de C4-RK eerder af te snijden en helemaal plat te laten aflopen om de luchtweerstand te verkleinen. De Cunningham werd hierdoor een van de eerste auto’s met de nu wereldberoemde en nog vaak toegepaste Kamm tail. Een andere aerodynamische verbetering was de verder naar voren geplaatste voorste luchtinlaat, om zo de instroom van lucht te maximaliseren. Daarnaast waren de flanken zo vlak mogelijk gemaakt en de achterruit was uit twee delen gebogen plexiglas samengesteld met het doel de daklijn te verhogen – en daarmee de stroomlijn te verbeteren.

Tijdens de race resulteerden die aerodynamische verbeteringen en het grotere motorvermogen in de snelste rondetijd. Met een gemiddelde van 170 km/h was de C4-RK sneller dan de winnende auto zou zijn. Dat was de Mercedes W194 van Hermann Lang en Fritz Reiss. Ook op het rechte stuk was de coupé van Cunningham iedereen de baas. Hij haalde daar ruim 240 km/h, zo’n 5 km/h meer dan de C4-R roadster. Snel waren de Cunninghams dus als vanouds, maar vanwege problemen tijdens de training konden de rijders in de race niet het volledige potentieel van hun auto’s benutten. Zo moesten voor de race de remtrommels vanwege barsten in de voeringen vervangen worden door exemplaren van een ander merk. Daarnaast hield de vijfversnellingsbak ermee op, waardoor Cunningham genoodzaakt was om die te verwisselen voor een drie-bak.
Ook de race kwam de pechduivel tevoorschijn: alle Cunninghams kregen last van fading waardoor de rijders genoodzaakt waren om de versnellingsbak en de motor te gebruiken om de vaart eruit te halen – met alle nadelige gevolgen voor die onderdelen van dien. Duane Carter, die het stuur had overgenomen van Walters, parkeerde de C4-RK tijdens zijn eerste ronde in een zandbank in Tertre Rouge, en het kostte hem twee uur om de auto uit te graven. Daarna wist de equipe nog in te lopen op de anderen, totdat problemen met de kleppen – veroorzaakt door te hoge toerentallen – de kans op een overwinning (als die er überhaupt nog was) deden verdwijnen. De C4-R die werd bemand door Fitch en Rice overkwam hetzelfde eerder in de race, waardoor er in de ochtend nog maar één Cunningham – met dodelijk vermoeide remmen en een slippende koppeling – over was. Briggs Cunningham reed zijn C4-R hoogst persoonlijk 19 uur lang als een zorgzame vader en slaagde erin hem in vierde positie over de finish te rijden – daarmee alle Ferrari’s, Jaguars en Aston Martins achter zich latend.

Cunningham was in 1953 weer van de partij met de C4-R’s, ditmaal met een vierversnellingsbak en wielen van Halibrand, en met de nieuwe C5-R, die een stuk lichter was dan de Cunninghams van een jaar eerder. Om de remproblemen voorgoed uit de wereld te helpen, had Cunningham remschijven besteld bij Dunlop. Jaguar kreeg daar echter lucht van en stak een stokje voor de levering, rustte zijn drie C-types uit met schijfremmen van Dunlop en claimde de eerste, tweede en vierde plaats op Le Mans. Ondanks Jaguars ‘competitievervalsing’ heeft Cunningham het de Britten lastig weten te maken. Sterker nog: de equipe Walters/Fitch, aan het stuur van de gloednieuwe C5-R, voorkwam met een derde plek dat Jaguar een hattrick scoorde. Hierna reed Cunningham nog tweemaal de 24 Uren van Le Mans en wist in 1954 opnieuw de derde plaats te behalen. Het jaar daarna probeerde de heldhaftige Amerikanen dat resultaat tevergeefs te verbeteren. Beide equipes vielen uit, waardoor die twee derde plekken het beste resultaat zijn in Cunninghams korte maar bewonderenswaardige racegeschiedenis. Het doek viel in 1955, toen Briggs vanwege de Amerikaanse wet – die verliesgevende bedrijven voorschreef om binnen vijf jaar winst te genereren – genoopt was om de stekker eruit te trekken. Cunningham had in totaal 36 auto’s gebouwd, waarvan acht pure racers.

Anno 2019 vertoeven de drie originele C4-R-raceauto’s van 1952 in privécollecties. Chassisnummer 5217R is in het bezit van de Simeone Foundation in Philadelphia, en 5216R en 5218R (de C4-RK coupé) staan bij het Miles Collier Revs Institute in Naples, Florida.
De enthousiast Larry Black uit Seattle is in de vroege jaren negentig begonnen met het bouwen van zo getrouw mogelijk replica’s van de C4-R. Toen Cunninghams zoon, Briggs III, het prototype van de auto zag, besloot hij een aanzienlijk bedrag in het project te investeren om de nalatenschap van zijn vader te eren. Zo kon het merk Cunningham uit de dood herrijzen en werden er vanaf 1997 weer Cunninghams gebouwd. Ditmaal in Lime Rock, beroemd om zijn racecircuit, en niet meer in West Palm Beach, Florida. Bovendien, dankzij de steun van de familie Cunningham, mocht de nieuwe C4-R een officiële ‘continuation’ van de originele auto heten. De raceveteranen John Fitch en Phil Walters waren betrokken bij het project, zij zorgden ervoor dat de nieuwe Cunningham’s zodanig presteerden en stuurden dat journalisten en enthousiasten onder de indruk zouden zijn.

De aluminium carrosseriedelen zijn vrijwel exact hetzelfde dankzij computerscans van de originele auto, de motor is een originele Chrysler Hemi V8 uit 1952 met speciale onderdelen van Cunningham

In de periode dat de familie Cunningham bij het project betrokken was, zijn slechts vier C4-R continuation cars voltooid. Een vijfde exemplaar – gemaakt op een origineel chassis van een Cunningham C3 – werd in 2012 gebouwd door Jim Stokes Workshops voor een Engelse verzamelaar. De auto op deze pagina’s is de eerste van de vier continuations en mogelijk zelfs het prototype. Zijn chassisnummer is R5219 – de continuations zijn genummerd van R5219 tot en met R5224. De originele auto’s uit 1952 hadden de ‘R’ overigens niet vóór maar achter het chassisnummer staan.
Chuck Schoendorf, een bekende verzamelaar van Cunninghams, is de huidige eigenaar van de R5219. Hij vond het chassis van de auto onder een zeildoek in 2012, toen hij met Lucie, weduwe van dé Briggs Cunningham, rondkeer Cunninghams familiegarage in Greens Farms, Connecticut. Uit het nummer bleek dat dit het chassis was van de eerste C4-R continuation. Waarom de auto niet meer als één geheel is teruggevonden, is nog steeds niet duidelijk. Hoe dan ook, Chuck had thuis een bijna complete Chrysler Hemi racemotor uit 1952 liggen en samen met Lucie Cunningham smeedde hij het plan om het chassis te gebruiken voor de bouw van een Cunningham coupé, de eerste en vooralsnog enige C4-RK continuation.
Don Breslauer uit Salisbury, Connecticut – op een steenworp afstand van de plek waar Cunningham in de jaren ’90 de continuation cars bouwde – kreeg de leiding over het project. Miles Collier was zo vriendelijk om zijn C4-RK beschikbaar te stellen voor een volledige computerscan van de carrosserie, zodat er een houten mal gemaakt kon worden voor het kloppen van het aluminium plaatwerk. Dat laatste heeft Mark Barton van The Panel Shop in Stratford, Connecticut, voor zijn rekening genomen. Details als de gaasroosters in de ventilatieopeningen op de flanken van de auto – wit aan de ene kant en zwart aan de andere – zijn nauwkeurig gekopieerd. De ongelijke kieren tussen de plaatdelen en de afgebladderde verf van het origineel niet. Uiteindelijk heeft het geen maanden maar jaren gekost om alle onderdelen te verzamelen die voor de auto nodig waren. Denk aan de juiste set Halibrands (gemaakt van magnesium) en de klok op het dashboard, afkomstig van een B-17 bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog en door Chuck gevonden op eBay.
Veel andere onderdelen, waaronder het stuurwiel, zijn nagemaakt op basis van foto’s en met de originele auto als model. Helaas overleed Lucie in 2012 op 104-jarige leeftijd, maar Chuck is met het project doorgegaan totdat de ‘nieuwe’ C4-RK in 2018 helemaal klaar was. Net op tijd voor de zestigste Cunningham Reunion die in juni plaats had tijdens het Greenwich Concours d’Elegance in Connecticut. Sindsdien zijn er nog wat wijzigingen aan de auto gedaan, zoals het verplaatsen van de pedalen en het optimaliseren van het koelsysteem.

Chuck wil me graag zijn creatie laten ervaren en vertelt dat de C4-RK een opmerkelijke ervaring. Ik heb in het verleden met een Cunningham uit 1951 gereden, en weet al dat de V8 van Chrysler geweldig is vanwege zijn vermogen en koppel – en de gretigheid waarmee hij toeren maakt. Het is een motor die zeer geschikt zou zijn om verder op te voeren met de middelen van nu, maar Chuck heeft er bewust voor gekozen deze krachtbron op te bouwen naar de specificaties van de racemotor uit 1952, dus met vier valstroomcarburateurs van Zenith en een voor Cunningham op maat gemaakt inlaatspruit van aluminium. De motor is getest op de vermogensbank en bleek 340 pk bij 5.200 toeren te leveren en dat is op z’n zachtst gezegd indrukwekkend voor een krachtbron uit 1952.

De 5,4-liter V8 draait al, dus doe ik m’n gordel om, trap de koppeling in, zet de versnellingspook in één en probeer met een klein beetje ‘gas’ de auto te laten bewegen. Helaas is mijn idee dat de C4-RK door zijn lage gewicht en dikke motor weinig toeren nodig heeft, onjuist. Dit is een racemotor en die verlangt veel meer gas om de auto in beweging te brengen. Dus probeer ik het nog een keer, maar dan met een flinke dot gas – en dat werkt. De transmissie laat zich met heel compacte bewegingen schakelen en is heel precies. Dat voelt goed, net als het weggedrag van de Cunningham, zelfs op een hobbelweg. Verder zijn er tijdens het rijden geen rammeltjes, kraakjes of trillingen te bemerken; een teken dat het met de bouwkwaliteit van de C4-RK wel goed zit. De besturing van de auto – licht en accuraat – is een openbaring. Ik ken weinig moderne auto’s die zo goed sturen. De buitenwegen in Connecticut zijn beeldschoon en dankzij hun lange rechte stukken, overzichtelijke bochten en gebrek aan andere verkeersdeelnemers zijn ze perfect voor een rit in een geweldige auto. Het enig nadeel is dat de wegen door de harde hand van Koning Winter vol gaten en oneffenheden zitten, maar dat lijkt de Cunningham niet zo te deren. De auto blijft onverstoorbaar en geeft een fantastisch gevoel van onoverwinnelijkheid. Overigens John Fitch en Phil Walters het chassis van de auto afgestemd op precies de wegen waarop ik nu de C4-RK de sporen geef, dus het mag geen verrassing zijn dat besturing en het chassis daar perfect met elkaar samenwerken. Ik ben aangenaam verrast dat de Cunningham in vergelijking met de andere auto’s uit de fifties die ik hier heb gereden – waaronder een XK120 en een D-type – zo verbazend goed rijdt. Ik vroeg me af of de auto wellicht zo goed stuurde door het feit dat zijn chassis uit de jaren ’90 dateert. Het duurde niet lang of ik had een antwoord op die vraag. Chuck bezit ook een aantal straatauto’s van Cunningham en ik mocht met zijn C3 – uitgerust met een vergelijkbare voorwielophanging en dezelfde wielgeometrie als de C4-RK – op pad om deze met de continuation te vergelijken. Hij bleek net zo indrukwekkend goed op de weg te liggen en te sturen als de C4-RK. Daarmee was het voor mij duidelijk: Cunningham wist al in 1952 heel goed hoe tot een perfecte set-up te komen voor zijn straat- en raceauto’s.

Deze dashboardklok is afkomstig van een B-17 bommenwerper

Wat ik ook geweldig vind van de C4-RK, is dat hij je met zijn vele luchtinlaten en ventilatieopeningen meteen het gevoel geeft dat je in een serieuze raceauto zit. Door het uitzicht over de lange motorkap en het geluid van de Chrysler V8 waan je jezelf Phil Walters in leidende positie op het legendarische Franse circuit. Ik had verwacht dat de motor de rijervaring zou overheersen, maar het chassis kan al het vermogen met gemak aan. Dat, plus zijn lange versnellingen en zijn koersvastheid, dragen bij aan het gevoel dat deze Cunningham de 24 Uren van Le Mans had kunnen winnen. De snelheid en de vastberadenheid zijn er. Rudolf Uhlenhaut, de legendarische ingenieur van Mercedes-Benz, heeft in 1953 een testrit in een C4-R gedaan. Wat hij na afloop zei? “Ik heb nooit eerder in een raceauto gereden met zo’n veilig en betrouwbaar weggedrag.”

De stekker uit zijn eigen bedrijf in West Palm Beach trekken is een heel moeilijke beslissing geweest voor Briggs Cunningham. Na vijf jaar was hij zijn bedrijfsstatus verloren en kon hij zijn financiële verliezen niet meer gebruiken voor belastingdoeleinden. Doorgaan met zijn Cunninghams in de autosport zou nog veel duurder worden en daarom heeft hij tot stopen moeten besluiten. Desalniettemin heeft Briggs met slechts 40 man en een grote hoeveelheid privégeld bewezen dat Amerika zich in de internationale sportwagenracerij kon meten met de besten. Dankzij de toewijding, het enthousiasme en de middelen van één man is het merk Cunningham verdraaid dichtbij het winnen van Le Mans gekomen.
De originele C4-RK die Le Mans reed, de enige gesloten Cunningham, bevindt zich in de collectie van The Revs Institute in Naples, Florida, en komt nooit naar buiten. Dankzij een toegewijde enthousiasteling is er nu eindelijk weer een kans een C4-RK glorieus in actie te zien.

Tekst Simon Aldridge / Foto’s Simon Aldridge & Sean Smith

CUNNINGHAM C4-RK CONTINUATION
Motor 5,4-liter V8 met een gietijzeren blok, ‘hemi’ koppen, centrale nokkenas en vier Zenith-carburateurs Vermogen 340 pk bij 5.200 min-1 Koppel 475 Nm (geschat) Transmissie handgeschakelde Tremec vijfbak, achterwielaandrijving Besturing tandheugel Voorwielophanging dubbele driehoekige draagarmen, schroefveren en verstelbare telescoopdempers Achterwielophanging starre as met dubbele geleide-armen, Panhard-stang, schroefveren en verstelbare telescoopdempers Remmen geventileerde schijven rondom Gewicht 1.300 kg Topsnelheid 240 km/h (bij 5.000 min-1 in vijfde versnelling) Acceleratie 0-100 km/h in circa 6 sec.


Print Friendly, PDF & Email




Ton Roks
Na 25 jaar in de autojournalistiek vervulde Ton Roks in november 2012 een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.




Vorig bericht

Een Jensen GT met een verhaal

Volgend bericht

Mégane RS Trophy: het had langer mogen duren




Uitgelicht

Een Jensen GT met een verhaal

Een van de aanmeldingen voor het concours van Octane Magazine is de Jensen GT van Frank Soors d’ Ancona. Het is een auto...

18 August 2019

Webdevelopment Passionate Bastards