Laatste nieuws

Een Brilkever met reumakleppen

Man & Machine / 1 juli 2022

Onlangs maakten we in deze rubriek kennis met de zwarte Ford V8 Fordor van David uit Amersfoort. Tijdens de Octane Scramble bleek dat zijn vader, Bert van Wee, een Kever al bijna veertig jaar in bezit heeft.

“Mijn naam is Bert van Wee, wonend in Amersfoort en sinds 1983 ben ik in het trotse bezit van een VW Brilkever uit 1952. Met een 25 pk boxermotor van 1131 cm3 en een topsnelheid van rond de 105 km/h is het natuurlijk niet de sportwagen waar anderen misschien van dromen, maar ik vind het al bijna veertig jaar een geweldige auto. Wat de auto voor mij onweerstaanbaar maakt, zijn de zwarte kleur, passend bij de jaren ‘50, het originele grote vouwdak dat tot de achterruitjes open kan, en het feit dat het een origineel in Amersfoort geleverde auto is. Het originele typeplaatje van de importeur, destijds Pon aan de Arnhemseweg in Amersfoort, zit er nog in.

Als het mooi weer is, ben ik er graag mee onderweg. Liefst met het vouwdak en de zogeheten ‘reumakleppen’ open. De reumakleppen zijn twee kleppen aan beide zijdes van de auto, achter de voorspatborden, die het voetencompartiment van extra lucht voorzien. Omdat bestuurders last kregen van reumaklachten is deze bijnaam ontstaan en na slechts een jaar waren ze verdwenen van de Kever. Wat het rijden nog leuker maakt, is dat onderweg altijd duimen omhooggaan omdat mensen het zo’n leuke auto vinden. Op bijeenkomsten met publiek komen er altijd mensen een praatje maken over hun jeugdherinneringen; verhalen dat ze vroeger als kind met vijf man of meer op vakantie gingen met de Kever horen tot de vaste kost.

Met 25 pk kan ik nog verrassend goed meekomen, ook op de snelweg. Wel op de rechterbaan met 85 km/h achter de vrachtwagens. Ondanks dat de Kever voor die tijd relatief moderne hydraulische remmen had (de standaardversie had nog kabelremmen), gaat het remmen best zwaar. Misschien monteer ik daarom ooit nog een keer een andere hoofdremcilinder. Het valt wel mee omdat ik eraan gewend ben. De versnellingsbak is ongesynchroniseerd; voor sommigen is hij lastig te bedienen maar voor mij juist erg leuk! Het betekent dat je moet ‘dubbel-de-clutchen’, opschakelen gaat door de auto eerst in de vrij te zetten, de koppeling op te laten komen, en pas daarna door te schakelen naar een hogere versnelling. Terugschakelen gaat door ‘tussengas’ te geven waarbij het toerental van de motor ongeveer gelijk moet zijn aan het tempo van de tandwielen in de versnellingsbak, best lastig om meteen goed te doen maar na bijna 40 jaar weet ik niet beter. In de winter rij ik liever niet, maar als er niet gepekeld is en het is een mooie dag in december dan mag de auto evengoed wel een blokje om.

Los van de restauratie die ik heb uitgevoerd, is de Kever grotendeels origineel en is er weinig aan verbouwd. Niet alles is 100% origineel; zo zit er wel een originele 25 pk motor in, maar niet de motor waarmee de auto uit de fabriek is gerold. De motor die er nu in zit, zat oorspronkelijk in een T1 Transporter busje, maar dit is wel hetzelfde blok als erin hoort. Ook de wielen zijn niet origineel. De originele 16-inch wielen heb ik nog wel, maar er zit nu 15 inch op met banden die comfortabeler zijn. Voor de veiligheid heb ik op de bumpersteunen achter twee extra Hella remlichtjes gemonteerd, die waren in de jaren ‘50 ook al leverbaar maar werden dan gemonteerd als mistachterlichten. Het remlicht zit van origine alleen in de nummerplaatverlichting, maar dat valt niet echt goed op. Veiligheid gaat hier bij mij voor originaliteit. Dat geldt ook voor de autogordels die ik erin heb gezet en er eigenlijk niet in horen. Waar originaliteit níet voor veiligheid is gegaan, is bij de richtingaanwijzers. Tot ver in de jaren ‘50 hadden Kevers en vele andere auto’s destijds geen knipperlichten, maar echte richtingaanwijzers: achter de deurstijl een kleine lichtgevende staaf (zogeheten pijlen) die uit de auto klappen om richting aan te geven. Deze zijn nu glad, maar horen oorspronkelijk schroeven in het zicht te hebben. Helaas zijn dit soort pijlen niet goedkoop en is het verschil nauwelijks zichtbaar. Originaliteit is voor mij belangrijk, maar niet tot elke prijs.

De Kever heb ik gekocht in 1983 van Ed Vink, een man die indertijd werkte bij een garage in Muiden, gespecialiseerd in luchtgekoelde VW’s. Later begon Ed, samen met Martin Wapenaar, zelf een garage: Garage V&W (www.garagevenw.nl). Hoewel Ed de Kever heel leuk vond, wilde hij zelf liever een jaren ‘50 Amerikaanse Buick en van het geld dat de Brilkever heeft opgebracht, heeft hij zijn droomauto kunnen kopen. En had ik óók mijn droomauto. Ed heeft niet heel lang van zijn Buick kunnen genieten, helaas is hij al in 1994 overleden. Hij had de Kever enkele jaren voor hij de Buick kocht technisch in orde gemaakt. Volgens Ed waren er voor hem twee eerdere eigenaren geweest. De auto had toen ik hem kocht al ongeveer 320.000 km gereden. Ik zocht eigenlijk een Ovaalkever omdat ik dacht dat een Bril te duur zou zijn en daarnaast is een Ovaal ook een geliefd model, maar heeft niet de gesplitste achteruit. Uiteindelijk was de Bril die ik nu heb relatief goedkoop; ik kocht hem voor 2500 gulden, samen met een Kever uit 1973 die ik voor 50 gulden had gekocht voor de sloop.

Ik had een stuk of 10 Kevers van anderen in onderhoud waardoor het restaureren er niet van kwam.

Ed had zoals gezegd de auto ‘gerestaureerd’, maar wel met methoden van de jaren ‘70/’80. De auto hing met popnagels en plamuur aan elkaar en was eigenlijk veel slechter dan ik van tevoren had verwacht en gehoopt; wellicht dat daar de relatief lage prijs ook vandaan kwam. Daarom heb ik de auto na enkele jaren stilgezet om hem te restaureren. Ruim twintig jaar later, in 2009, reed hij weer. Tussen midden jaren ‘80 en het jaar 2000 had ik een stuk of 10 Kevers van anderen in onderhoud waardoor het restaureren er niet van kwam. Ik zou mezelf niet per se heel handig noemen, maar ik doe toch redelijk veel zelf, mede dankzij mijn neef Gijs die ook in de oude Volkswagens zit. Zonder hem was de restauratie nooit gelukt.

Als kind vond ik auto’s best interessant, maar niet meer dan dat. De belangstelling kwam vooral met het halen van het rijbewijs. Toen ik in 1977 mijn eerste auto kocht, wilde ik graag een Kever omdat ik het model leuk vond en de kwaliteit veel hoger was dan van bijvoorbeeld een Eend of Renault 4. Ook erg leuke auto’s overigens. Tussen 1977 en 1983 heb ik vijf Kevers gehad. In 1983 kocht ik naast de Bril ook een andere Kever, een 67’er die ik dagelijks gebruikte en later als hobbyauto. Jarenlang reed ik met meer dan 30.000 km per jaar, zowel voor dagelijks gebruik als op vakanties naar bijvoorbeeld Griekenland, Portugal, Italië, Frankrijk en Engeland. Ook na de restauratie ben ik er overigens nog veel mee op vakantie geweest naar het buitenland, zo ook de afgelopen drie jaar met mijn zoon. Tussen 1988 en 1997 had ik ook nog een rode Kever uit 1970; die rijdt nog steeds bij een kennis.

In 2005 kocht ik mijn eerste ‘moderne’ en ruime auto: een Audi 100 van 1982, type 44, voor zo ver bekend de oudst rijdende 100 van dit type in Nederland. Helaas heb ik deze auto in 2016 verkocht en heb ik nu voor dagelijks gebruik een Skoda Fabia Combi van 2016. De 100 rijdt overigens nog altijd rond in Nederland.

Het mooiste aan de Bril vind ik de vloeiende lijnen, die vanuit de voorkant naar achteren gaan om tot een W-vorm in de achterklep uit te komen. Ook vind ik natuurlijk de kleine gesplitste raampjes heel leuk, een onderscheidend detail ten opzichte van nieuwere Kevers. Waar ik bijna alle oude auto’s leuk vindt, springen de luchtgekoelde VW’s er toch uit, door de combinatie van vorm en uiterlijk, simpele techniek, hoge kwaliteit en goede verkrijgbaarheid van onderdelen. En we hebben een geweldige club: de Luchtgekoelde Volkswagen Club Nederland (LVWCN).

Ik gebruik de auto nu vooral om deel te nemen aan oldtimerrally’s of als ik ergens op visite ga, maar ook om zomaar om een stukje te rijden. Dat doe ik vaak met mijn jongste zoon David, die eerder in deze rubriek stond met zijn Ford V8 Fordor uit 1938. Gelukkig vindt mijn partner Dineke de Bril ook leuk en rijden we ook samen wel eens ritjes. Met deze auto heb ik vaak meegedaan aan de RAI klassiekerrit, toch in totaal zo’n 300 kilometer. Een keer kreeg ik bij de RAI klassiekerrit de derde prijs; de jury vond hem vooral mooi omdat de auto niet ‘over-gerestaureerd’ was. Er zitten onderdelen op die er weliswaar niet perfect uit zien, maar dat zijn simpelweg de originele onderdelen die nu al 70 jaar op de auto zitten. Denk hierbij aan de sierlijsten of handgreep van de motorkap. Ondanks dat ik niet zoveel meer rij met de Bril, zo’n 500 tot 1200 km per jaar, ben ik niet van plan hem ooit weg te doen. Pas als ik te oud word om er mee te rijden gaat hij naar mijn zoon David die het ook een geweldige auto vindt.

Heel eenkennig ben ik niet; zoals ik eerder al heb gezegd, vind ik bijna alle klassiekers leuk. Als er nooit Kevers waren geweest, had ik nu vast een andere klassieker gehad als hobby. Interessante auto’s vind ik bijvoorbeeld een Porsche 356, oudere Porsche’s 911 of 912, VW Spijlbus en T2, Mercedes Pagode en Heckflosse W110, oudere Eenden, Triumph TR4 of 5, of een Jaguar Mk2. In de categorie youngtimers vind ik de Renault Avantime en het eerste model Mercedes CLS heel bijzondere en leuke auto’s. Het is maar goed dat ik daar de ruimte niet voor heb anders stonden er waarschijnlijk wel meer dan drie auto’s op de oprit!”

Lees hier het verhaal van de Ford V8 Fordor van zoon David.

Man & Machine

VW Kever (1952)

Bert van Wee


Tags: , , , , , ,



Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

Verhitte strijd

Volgend bericht

Nieuwe helden in de FIVA Hall of Fame





Bezoekers lazen ook


Meer historie

Verhitte strijd

De 2022 Mille Miglia editie viel samen te vatten in één woord: heet. Met een brandende zomerzon kregen mens en machine...

27 June 2022