Laatste nieuws

Een klein en dapper werkpaard: de Mini Pick-up

Reportages / 1 maart 2021

Sir Alec Issigonis wilde een auto bouwen die boven alles nuttig, zuinig en goedkoop zou zijn, een auto voor iedereen en zeker geen ‘cultauto’ of statussymbool. Hij had de Morris Minor – de succesvolle Britse ‘auto van het volk’ – al op zijn naam staan, toen hij in 1959 met de Mini op de proppen kwam. Het revolutionaire concept met een wiel in elke hoek, de motor dwars over de vooras geplaatst, de versnellingsbak onderin en voorwielaandrijving, resulteerde in een enorme hoeveelheid binnenruimte.

Als bestelauto voor hardwerkende vakmensen kwamen, op een verlengde wielbasis (+25 centimeter), de Mini Van en Mini Pick-up op de markt. Mini bood met deze varianten verbazingwekkend veel ruimte voor het vervoeren van vracht. In de 1,20 meter lange en 85 centimeter brede laadruimte van de Pick-up kon 317 kilogram aan spullen worden vervoerd waarbij de neergeklapte achterklep een vlak oppervlak creëerde voor langere ladingen. Een stalen grill in de kleur van de carrosserie en het ontbreken van elke luxe benadrukte dat deze auto puur bedoeld was voor de werkende klasse. In het thuisland profiteerden eigenaren van extra belastingvoordelen voor deze kleine bestelauto’s.

De Van en Pick-up zijn geleverd met een 34 pk viercilinder met een inhoud van 848 cm3, die in 1967 werd opgewaardeerd naar 38 pk en iets meer koppel. De Pick-up ging in september 1960 in de verkoop en de productie stopte pas in 1981. In totaal zijn er ongeveer 58.000 exemplaren van de lopende band gekomen, wat neerkomt op slechts één procent van alle geproduceerde Mini’s. Tegenwoordig is de Pick-up een zeldzame verschijning op evenementen en bijeenkomsten. Veel mensen denken dat het een zelfgemaakte creatie is hetgeen Wim Takken, die eerder het verhaal van zijn Innocenti Mini vertelde in Octane Auto’s, uit eigen ervaring kan bevestigen.

“In de jaren tachtig zat ik op een mooie zaterdagochtend -gewoontegetrouw- de Speurders-advertenties in de Telegraaf weer eens te spellen toen mijn oog viel op een advertentie waarin iemand in Hummelo een Mini Pick-up te koop aanbood. Het bleek om een speciale uitvoering te gaan die ooit nieuw was geleverd aan de plantsoenendienst van Gemeente Leeuwarden. Voor dat doel was een custom-made polyester kiepbakje in de laadruimte gemonteerd dat vanuit de cabine hydraulisch bediend kon worden. De originele laadklep had daarvoor het veld moeten ruimen en was bij de overdracht van de auto van Leeuwarden aan de huidige eigenaar in Hummelo niet meegekomen. Later heb ik nog contact opgenomen met de plantsoenendienst van Leeuwarden, maar dat klepje hadden ze helaas niet meer. Wel bleken ze nog wat andere dingen voor mij te hebben, waaronder het werkplaatshandboek, inclusief de bijlage voor Innocenti.”

Restauratiefoto’s uit het fotoalbum van Wim

“Hoewel de Mini duidelijk een zwaar leven achter de rug had, heb ik de auto toch gekocht en ben ik ermee naar Veenendaal gereden. Bij nadere inspectie thuis bleek dat de auto ‘een grote beurt’ (eufemisme van het jaar) nodig had. Met een monteur die ik nog kende van het garagebedrijf waar ik eind jaren zeventig een Mini 1000 had gekocht ben ik de Pick-up gaan strippen. De polyester kiepbak moest, hoe apart ook, het veld ruimen en toen we de auto min of meer hadden ontmanteld, heb ik hem bij een straalbedrijf in de Betuwe afgeleverd. Bij het ophalen, een week later, was het even schrikken en slikken! De auto stond weliswaar in de zinkprimer, maar ik had nog nooit een auto gezien met zoveel gaten erin, vooral in het gedeelte van de laadbak. De term ‘gatenkaas’ was zeker van toepassing op mijn Pick-up. Via een overbuurman met een Fiat 500 kwam ik in contact met een verwarmingsmonteur (!) die voor hem het laswerk aan de 500 had gedaan. Deze vakman bleek bereid ook mijn Mini onder handen te nemen. Hij heeft al het plaatwerk voor die laadbak zelf moeten maken; van karton werd een malletje geknipt en overgezet op een stuk staal. Na het werk aan de laadbak en de achterste wielkuipen moest er ook nog laswerk worden verricht aan de ‘driehoekjes’ en hebben we er nieuwe voorschermen ingelast. Omdat dit laswerk is belangrijk voor een goeie passing van de deuren – de deurscharnieren zijn namelijk op de binnendriehoekjes gelast – heb ik dat uitbesteed aan een Mini-specialist in Huissen. Toen het laswerk klaar was, is de koets nog een keer licht gestraald en in de primer gezet. De verwarmingsmonteur bleek ook nog een broer te hebben die plaatwerker was en deze man heeft het koetsje met hamers, tasjes en waar nodig met wat plamuur mooi strak gemaakt. De grill op deze Pick-up, met verstralers ervoor, was niet origineel maar wel mooi; af fabriek wordt de grill gevormd door horizontale stukjes plaat die uit het front gestanst zijn.”

“Het probleem van de ontbrekende achterklep werd opgelost doordat een collega mij vertelde dat het instituut Bartimeushage een Mini Pick-up in brandweeruitmonstering had staan; ook bij deze Mini ontbrak de achterklep. Iemand van het instituut was zo vriendelijk om mij de auto te laten zien en op mijn vraag of zij de achterklep nog wel hadden, kwam een bevestigend antwoord. Er werd een splinternieuwe, brandweerrode achterklep van zolder gehaald die ik mocht overnemen. Een kleine autospuiterij in Elst heeft de carrosserie – in voor mij voordelige restuurtjes – in het originele Rijkswaterstaat-geel gespoten waarbij ook het dakje weer origineel Old English White werd.”

“In de tussentijd kocht ik van een andere collega een houten dashboard en bij een automaterialenhandel in Soesterberg een mooi houten stuurtje. Ook liep ik nog ergens tegen een mooi setje aluminium wielen van Cosmic aan. Voor de laadbak heb ik een hardhouten vlonder gemaakt en zeilmakerij Albers in Wageningen heeft de laadbak van een mooi dekzeiltje voorzien in de kleur van het dak. Het eindresultaat was een glanzend mooie Pick-up, die eigenlijk te mooi was in vergelijking met de werkezeltjes die in Engeland werden gebruikt.”

“Een jaar of zeven heb ik de Pick-up, alleen bij mooi weer, gereden, maar echt lekker comfortabel was dat niet. De cabine was voor iemand met mijn lengte namelijk te klein waardoor ik opgevouwen achter het stuur zat. In een normale Mini kun je de stoel met behulp van verlengde rails verder naar achteren zetten, maar in een Pick-up houdt de cabine gewoon op. De reacties onderweg waren allemaal positief en veelvuldig kreeg ik de vraag of het een zelfbouw-aanpassing was; weinig mensen wisten kennelijk dat BMC ook een Pick-up had gemaakt. Met pijn in mijn hart heb ik de auto in 1996 in het blad Auto, Motor Klassiek te koop gezet. Iemand uit Brabant bood zijn Innocenti Mini Cooper 1300 Export als ruilobject (zie voor het verhaal van deze auto: Innocenti Mini Cooper) waarmee het afscheid een feit was. Mijn Pick-up werd nog diezelfde week op een beurs voor klassieke auto’s in het Mecc Maastricht verkocht aan een Duits bedrijf. Eigenlijk ben ik wel benieuwd of de gele Pick-up nog bestaat; heeft iemand een idee?”

Tekst: Wim Takken en Frank Goedhart

Beeld: BMW Group en Wim Takken


Tags: , , , , ,



Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

D8 GTO-JD70: zwaar kaliber lichtgewicht

Volgend bericht

Meccano voor grote jongens





Bezoekers lazen ook


Meer historie

D8 GTO-JD70: zwaar kaliber lichtgewicht

Joop Donkervoort heeft zijn zoon Denis de toekomst van zijn bedrijf in handen gegeven, echter niet zonder een topper in de showroom...

1 March 2021