Laatste nieuws

Een zwak voor Alfa’s

Man & Machine / 18 maart 2022

Dat vreemde gebreken en een onvoorwaardelijke liefde een leven lang kunnen samengaan bewijst Bart van den Acker met zijn geschiedenis met Alfa Romeo’s. De ratio heeft in enigerlei mate meegespeeld bij de aanschaf van zijn huidige Alfa, een redelijk moderne Brera.   

“In het Brabantse dorp, waar ik geboren en getogen ben, was een winkel van de VéGé. Voor de deur van die winkel stond een rieten mand met een punt, in een standaard, volgestort met Norev-modelletjes zonder doosje, voor een gulden per stuk. Toen ik voor mijn moeder een pak suiker moest halen, zag ik boven op de stapel een rode Alfa Romeo Giulietta Sprint liggen. Geobsedeerd als ik was door dit autootje heb ik hem tijdelijk ‘begraven’ onder de andere autootjes, zodat ik snel naar huis kon rennen om mijn moeder uit te leggen dat die Alfa echt moest hebben; hij kostte tenslotte maar een gulden. Die gulden kreeg ik en met grote vaart rende ik terug naar de VéGé om de Alfa uit te graven. Dat autootje heb ik nog steeds, al heeft hij wel een zwaar leven achter de rug.

De Giulietta Sprint heb ik altijd vooral bewonderd om zijn pure, gave vorm; er zit geen lijn te veel op.

Dat model van Norev is de start geweest van mijn adoratie voor het merk Alfa Romeo. In het vredige Brabant zag je zulke auto’s niet; wel Opels, Volkswagens, Fords. Zelfs de Simca 1000 van mijn vader was al een uitzondering. Alfa Romeo kende ik eigenlijk alleen uit de Alkenreeks-boekjes van mijn broer. De Giulietta Sprint heb ik altijd vooral bewonderd om zijn pure, gave vorm; er zit geen lijn te veel op. Waarmee de gedachte is ontstaan dat ik ooit die auto moest hebben. Maar die gedachte had ik eerlijk gezegd ook bij enkele andere auto’s.

Met een te bescheiden budget en een aantal jaren met een Britse voorkeur, heeft het tot medio jaren tachtig geduurd voordat ik mijn eerst Alfa kocht. Inmiddels woonde ik in Den Haag waar ik bij Mazda-importeur Autopalace – De Binckhorst in dienst was. Bij het dealerbedrijf daar werkten een paar mensen die mijn autogekte kenden, dus als er ‘iets geks’ werd ingeruild, kreeg ik dat te horen. Zo ook toen er een rode Giulia Super Nuova binnenkwam. Het was mijn eerste Alfa, met nummerbord 23-XD-28 en ook al was het geen beste, ik reed wel Alfa Romeo. Deze Giulia leerde me hoe betrekkelijk een kilometerstand kan zijn, want ik ontdekte dat de honderdmeterteller op het dashboard geregeld ook de kilometers meenam. Dat je in de winter ook aan de binnenkant ruiten moest krabben was ook nieuw voor me en ook dat het lastig is als de deur niet sluit, doordat intussen het slot alweer is bevroren. Deze Giulia heeft me meer geintjes geflikt, maar mijn voorliefde is gebleven.

Na eerdere ervaring met een MG Midget besloot ik dat een Alfa met een open dak een logisch vervolg zou zijn, dus ruilde ik mijn Giulia bij een particulier in op een rode Spider 1600. Voor mijn verjaardag vroeg ik een ‘brulpijp’ en daarmee klonk de Nord-motor prachtig, zeker met het dak open. Het liefst reed ik de auto zonder een kilometer autosnelweg en als ik een avond niks om handen had, reed ik binnendoor naar Zandvoort, of een rondje Westland. In 1987 reed ik met die Spider voor het eerst mee in de Alpen Toer Rally van de NRS, een heerlijk evenement dat me net zo inpalmde als het merk Alfa. De Spider was van 1979 en dus pas een jaar of zes oud toen ik hem had gekocht. Terugkijkend was de kwaliteit niet best; hij kon roesten alsof het een wedstrijd was en de meest vreemde gebreken kwamen voor, zoals een in de carrosserie gebroken frame van het dak, dat daardoor niet meer dicht kon. In 1987 heeft hij plaats gemaakt voor een andere jeugdliefde; een Alpine A110.

Het Alfa-virus was slechts tijdelijk in te dammen, dus toen ik in 1994 bij Nico Aaldering ‘mijn ideale Giulia’ zag was de verleiding groot. De auto was donkerblauw, een 1600, met alle verchroomde lijstjes en stalen wielen met wieldoppen, helemaal origineel en in zéér mooie staat. Omdat ik net voor mezelf was begonnen, kon ik hem echter niet betalen. Een goede vriend van me kocht hem op mijn aanraden, reed er amper in en twee jaar later heb ik hem alsnog overgenomen. De Alfa was puntgaaf, maar de motor bleek tot op de draad versleten. Het bleek dat voor vertrek naar Nederland door een onbetrouwbare garagist in Italië nog even de originele motor was omgewisseld. Na een grondige revisie heb ik er veel kilometers mee gereden, in gewoon dagelijks verkeer en in allerhande rally’s en ritten, afgewisseld met de Alpine. Na negen jaar wilde ik toch weer eens iets anders, maar achteraf heb ik spijt gehad, dat ik die Giulia niet heb gehouden.

De volgende was weer een Alfa, een Bertone dit keer. Dat model is tijdloos mooi en afgezien van een GTA is de tweede serie 1750 volgens mij het meest geslaagd. Het is een rode geworden waar ik de bumpers van af heb gehaald, waarop ik twee flinke verstralers heb gemonteerd en die ik van witte GTA-striping heb voorzien. Hij reed best, maar stopte er af en toe abrupt mee en we hebben nooit kunnen achterhalen hoe dat kwam. Erg vervelend vlak voor een hairpin, tegen een Oostenrijkse Alpenhelling op, met een touringcar vlak achter me, waarvan de chauffeur niet snapte waarom ik ineens stopte.

In de tijd dat ik die Bertone had, verkocht ik mijn Alpine – na twintig jaar. Omdat ik met mezelf had afgesproken dat ik dat alleen zou doen, als ik hem zou vervangen door een andere auto uit mijn persoonlijke top 5, viel de keuze op een Alfa Giulia Sprint of Giulietta Sprint, omdat die als enigen binnen mijn budget pasten. De aankoop was een mooi avontuur. Op één dag ben ik heen en weer gevlogen naar Genua om daar direct te beslissen dat de lichtblauwe die daar stond het niet zou worden.

Hij was strak, hard en gaaf en de prijs was ook goed.

De tweede poging lukte wel. Tussen kerst en oudjaar 2007 vloog ik met mijn goede vriend Richard (die vloeiend Italiaans spreekt) naar Milaan om per gehuurde Punto naar een dorpje bij Parma te rijden. De rode Giulia 1600 Sprint uit 1962 die daar te koop stond was het helemaal. Hij was strak, hard en gaaf en de prijs was ook goed. Bij de RDW kwam hij fluitend door de keuring en er kwam een mooi invoerkenteken op.

Eindelijk had ik de Alfa uit die mand bij de VéGé in het echt. Nadat de eerste opwinding was verdwenen en ik er gewoon eens wat ritjes mee reed, kwam het besef dat dit wel een veel oudere auto was dan, bijvoorbeeld, zijn opvolger, de Bertone. Hij verbruikte veel AGIP, hij had wel een vijfbak, maar er zat geen ‘gang’ in. Hij was vooral móói, maar dit was geen auto om de Alpen Toer mee te rijden. Na veertien maanden heb ik afscheid van hem genomen. Na mijn Alpine heeft VSOC ook mijn Sprint weer tot volle tevredenheid verkocht. Tussendoor heb ik nog een korte tijd een Spider 2000 ‘Type 3’ (alias: ‘Kuifje’) gehad.

Omdat ook de rode Bertone inmiddels was verkocht, zat ik weer zonder Alfa. Digitaal heb ik half Europa afgezocht naar weer een Bertone, toen bleek dat op vijf kilometer van huis een zilvergrijze 1750, tweede serie, met origineel 115.000 kilometer op de teller, te koop stond. Hij had wel een paar jaar stilgestaan, maar al tijdens de eerste kilometer van de proefrit realiseerde ik me vooral hoe ver mijn rode was versleten.

Deze grijze heb ik in totaal elf jaar gehouden en in die tijd heb ik er 75.000 kilometer mee gereden, wat best veel is voor een hobbyauto. Hij heeft ons overal gebracht: Noorwegen, Noord-Spanje, Corsica, Roemenië, Tsjechië, Slowakije, de Franse Alpen en gelukkig ook een paar keer naar Italië. Op al die reizen heeft hij ons maar één keer in de steek gelaten met –achteraf- een stom kleinigheidje. In twee fasen heb ik de Alfa helemaal laten restaureren: eerst de koets helemaal strak gemaakt, een jaar later het hele interieur vernieuwd en vervangen. Na al die jaren en kilometers – zelf werd ik er ook niet jonger op – vond ik het comfort op heel lange ritten toch wat mager en was het alweer tijd voor iets héél anders. Bij verkoop bleek dat in de tussenliggende jaren de prijs van een mooie Bertone zodanig gestegen was, dat hij me feitelijk niks heeft gekost.

Op zoek naar een opvolger ben ik eerst naar een GTV6 gaan kijken, maar die raakte me niet in mijn ziel. Een zilvergrijze GTV 2000 was het ook niet. Bij Sam van Dalen kreeg ik wel een verliefd gevoel bij een blauwe Alfa Romeo Brera.

De Brera is als semi-klassieker nog niet echt ontdekt en wordt volgens mij een beetje onderschat, maar dat maakt mij niets uit: ik vind het een bloedmooie auto, zeker in deze kleur. Juist op lange ritten rijdt hij erg fijn, mede door de ruimte, de  fijne stoelen, de cruise control en een goede airco. Ja, dat klinkt als een moderne auto en dat is het ook wel. Intussen heb ik er andere, originele 18-inch wielen onder gezet (stond op 19-inch) met comfortabele Michelins. Het is gek dat mijn hobbyauto nu jonger is dan mijn dagelijkse auto. Het is niet uit te sluiten dat ik mijn wagenpark over enige tijd reduceer tot één auto: de Brera. Dat zeg ik nu, maar ik weet van mezelf ook hoe wispelturig ik op autogebied ben. We zien wel!

Man & Machine

Bart van den Acker

Een zwak voor Alfa’s


Tags: , , , , , , , , , ,



Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

Jaguar E-type: van meet af aan een ster

Volgend bericht

Alfa Romeo Tonale: het orderboek is open





Bezoekers lazen ook


Meer historie

Jaguar E-type: van meet af aan een ster

Een lofzang op de E-type Series 1 en een terugblik op het jaar dat hij de wereld veroverde. Met twee E-types, een Fixed...

14 March 2022