Laatste nieuws

Kippen, blondines, een A-bom en Le Mans

Alle columns / Ton Roks / 30 juli 2021

Voor het artikel over de Austin-Healey 100M heb ik geprobeerd het originele verslag van Gordon Wilkins in handen te krijgen. De man was niet alleen een autosporter maar ook journalist en voor het Amerikaanse blad CARS schreef hij in 1953 een uitgebreid verslag over de 24 Uren van Le Mans en hoe hij daarin een Healey naar een veertiende positie had gereden. Ik vond het bewuste exemplaar in de USA via Ebay, maar dat viel te laat in de bus om Wilkins’ verslag in de reportage te verwerken. Het nummer van ‘Cars, the new and different automobile magazine’ bleek naast heel leuke advertenties (Be careful – the life you save may be your own) ook opmerkelijke verhalen te bevatten. Zo was er een groot artikel over ‘The secret war against trucking’, waarin een groot schandaal werd blootgelegd. De Amerikaanse spoorwegen zagen namelijk een steeds groter deel van het vrachtvervoer naar de highways verhuizen, en probeerden via allerlei gechicaneer en gelobby de publieke opinie tegen de truckers te keren. Ze gaven hen de schuld van de schade aan de wegen en maakten de chauffeurs het leven zo moeilijk mogelijk, ondermeer door staten zo ver te krijgen dat ze de vrachtwagens allerlei onmogelijke gewichtslimieten oplegden.

Ook enig gewicht had het artikel ‘Don’t Pick Up That Blond Hitchhiker’. Kennelijk was er in ’53 een golf van berovingen in de USA gaande, door aantrekkelijke,

liftende mejuffrouwen, die uit waren op een lange rit met een alleenreizende man. Ze zorgden ervoor dat het heel gezellig werd in de auto en tegen de avond stelden ze voor om budgettaire redenen (knipoog) een motelkamer te delen. Als het slachtoffer daarmee instemde kon hij erop rekenen dat zijn liefje voor een nacht bij het krieken van de dag was verdwenen, met zijn portemonnee. Het advies aan het einde van het artikel: ‘Thumbs down on thumbers!

Ook tegen straling was je beschermd in je Cadillac, zo lang je ramen en deuren maar dicht hield

Your car as a an A-bomb shelter’ was baanbrekend. Ik las dat de Amerikanen een aantal auto’s in de grote cirkels rondom een testlocatie voor atoombommen hadden geparkeerd om te zien of je daarin wellicht veilig was als je huis geen kelder had. De auto’s bleken inderdaad relatief ‘veilig’, als je ze schade opliepen kwam dat door vallend gesteente en zo, niet door de klap zelf. Ook tegen straling was je beschermd in je Cadillac, aldus de deskundigen, zo lang je ramen en deuren maar dicht hield, want met straling kwam je hoofdzakelijk in aanraking door stof. Hoe je dan ooit weer uit die auto moest komen, werd niet verteld.

In zijn ‘I drove the Austin-Healey at Le Mans’ vertelt Wilkins dat de keurmeester het maar raar vond dat de Healey zijn bumpers nog had en de motor nauwelijks meer dan 100 pk leverde. Of dat wel genoeg was, vroeg hij. Waarop Wilkins antwoordde: “Het is niet veel, maar zelfs als de race een week zou duren, zouden we aan het eind ervan nog steeds 100 pk hebben.” Daar had hij een geweldig punt me, van de 60 auto’s zouden er door allerlei malheur maar 25 de finish halen.

Het was niet Wilkins’ eerste keer, hij had Le Mans al eens gereden met een tweedehands Singer, in een tijd dat voornamelijk productieauto’s meededen. Het hele avontuur had hem toen de luttele som van $ 850 gekost. Dat waren nog eens tijden, niet?

Het doel was uitrijden, Wilkins mocht niet hoger dan 4500 toeren komen, waarmee een rondentijd tussen vijf minuten en 25 à 35 seconden mogelijk moest zijn, wat staat voor 145 à 150 km/h gemiddeld. Dankzij de overdrive en de langere eindreductie bereikten ze een top van 200 km/h op de lange rechte einden. Bij Wilkins begaf de overdrive het al vroeg, waardoor hij gedwongen was de hele race in III en IV overdrive te rijden, ondanks dat haalde hij toch nog 145 km/h gemiddeld.

Het is een smakelijk verhaal dat hij vertelt in de oktober-editie van Cars, over de Jaguars die vlak voor de bochten konden inhalen dankzij hun superieure schijfremmen, de dikke Cunninghams en Ferrari’s die met 80 km/h snelheidsverschil op Hunaudières voorbij daverden, de desoriëntatie in de ochtendmist, de autowrakken langs de baan en het sanitair van ‘voor de Franse Revolutie’. Toen Wilkins het stuur had afgestaan aan zijn co-driver was Briggs Cunningham naar hem toegekomen om zijn bewondering uit te spreken over de wegligging van de Healey. “When can I have one?”, had hij gezegd.

Tot slot: de Healeys hadden geen druppel olie verbruikt, wel een beetje gelekt, en ze hadden er één liter benzine per 6,3 kilometer doorgejaagd. Gedurende de race verorberde het voltallige team 40 kippen en acht dozijn eieren plus ham, fruit, thee, koffie en cocacola.


Tags: , , , ,



Ton Roks
Na 25 jaar in de autojournalistiek vervulde Ton Roks in november 2012 een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.




Vorig bericht

De 100M, Healey’s ultieme straatracer

Volgend bericht

Een Lightweight voor ‘smiles per mile’





Bezoekers lazen ook


Meer historie

De 100M, Healey’s ultieme straatracer

Het verhaal is begonnen na Le Mans ‘53, met een tuningkit waarmee je van een Healey 100 een straatracer kon maken. Die bleek...

30 July 2021