Laatste nieuws

Roadtrip Schotse Hooglanden

Reportages / Slider / 8 juli 2022

In onze inmiddels traditionele roadtrip ‘1000 Miles of Scotland’ waren dit keer hoofdrollen weggelegd voor een BMW M240i Coupé, een poort naar de hemel en het eiland Islay, wereldberoemd om zijn rokerige single malt whisky’s.

Foto’s en tekst: Ton Roks

Een klim omhoog via een paar flinke slingers in het asfalt en dan openbaart zich plotseling een lange rechte weg voor de neus van de BMW. In de verte lokken de eerste bergtoppen van Glen Coe, die majestueuze vallei die in allerlei Schotse liederen wordt bejubeld. Op diezelfde weg waarop de M240i nu zijn brede Michelins drukt, ronkte niet zo heel lang geleden een silver birch Aston Martin DB5. Inderdaad, die van James Bond, op pad voor weer een confrontatie met de misdaad.

De weg vanuit Fort William naar Glen Coe is een attractie, maar je moet wat geluk hebben in de beroemde vallei zelf, want door de vele bochten laten de soms talrijke campers zich lastig inhalen. Het kan handig zijn aan het begin van het traject even te wachten, totdat het lange lint vóór je helemaal leeg is – dan kun je bovendien een mooi aanloop nemen.

Gisteren hebben we na de ontscheping in Newcastle gekozen voor de altijd aantrekkelijke A69 langs Hadrian’s Wall, die door de Romeinen gebouwde muur die ooit de noordgrens van het Romeins Rijk was. Hij was 117 kilometer lang, bedoeld om de Picten uit het noorden – het latere Schotland – tegen te houden. Helaas is er niet veel meer van de muur en de bijbehorende kazernes over, boeren uit de buurt hebben er die in de loop der eeuwen ontmanteld om er huizen en schuren van te bouwen. De weg die parallel aan de resten van de muur loopt is een ware achtbaan, met zulke heftige en verraderlijke opeenvolgingen van heuvelruggen dat WRC-auto’s – als ze daar vòl mochten gaan – honderden meters zouden vliegen.

‘Je voelt je verwend door het zachte neuriën van de zescilinder en de warmbloedige roffel die je oren streelt als je accelereert’

Toen we via Langholm, Hawick en Edinburgh de Highlands in reden, is er al een warme vriendschap ontstaan met de BMW, die we totdat de nieuwe M2 er is als de sterkste en competentste telg aan de modellijn der 2-Serie’s mogen zien. De carrosserie, met hier en daar wat opmerkelijke vormen en details, zullen we met zijn gespierde spatschermen ook bij de M2 terug zien.

De auto trekt in elk geval behoorlijk de aandacht, zoals het een ‘M’ betaamt. Hij weet goed de indruk te wekken een compacte en knusse tweedeurs coupé te zijn, maar stilletjes is het toch een grote auto, gebouwd op hetzelfde platform als de 3 en 4-Serie. De ergonomie is goed voor elkaar maar het digitale instrumentarium vind ik niet alleen matig afleesbaar, het is ook alleen maar anders om het anders te zijn. Geef mij maar de klassieke ronde klokken. Maar verder is de M240i een fijne, comfortabele auto voor lange afstanden, met een onverwacht hoge graad van verfijning. Je voelt je verwend door de bijna totale afwezigheid van windgeruis, het zachte neuriën van de zescilinder op kruissnelheid en de warmbloedige roffel die je oren streelt als je accelereert.

Het geluk is ons niet goed gezind als we in Glen Coe arriveren, veel motorrijders en recreatief verkeer. Dat geeft de tijd te mijmeren over de M240i en James Bond’s DB5, beide hebben immers gemeen dat er een zescilinder-in-lijn onder de motorkap ligt, echter bij de BMW heeft deze een volle liter minder slagvolume. Dankzij een turbolader levert de zespitter uit Beieren toch maar even 374 pk, rond de 90 meer dan de Aston Martin, wat eigenlijk niet eens zo’n enorm verschil is. Het is echter koppel dat telt en daar heeft de M240i met zijn 500 Nm beduidend meer van dan de Aston Martin met zijn 390 Nm.

Bij de machine van de Bayerische Motoren Werke is de trekkracht bovendien al volledig beschikbaar vanaf 1900 toeren en blijft daarna langdurig op hoogte. Van die overvloedige trekkracht wordt bovendien veel efficiënter gebruik gemaakt doordat zijn automaat acht versnellingen heeft, het dubbele van de DB5, en al dat geweld wordt door de standaard xDrive vierwielaandrijving veel beter op straat gebracht. Ondanks dat de tweedeurs BMW zo’n 400 kilo zwaarder is dan de superleggera Aston sprint hij in een formidabele 4,3 seconden van 0 naar 100 km/h. Als je het gas er stijf ophoudt tikt de snelheidsmeter de 200 voordat de stopwatch 16 seconden laat zien.

Dat de M240i geen vedergewicht is met zijn 1765 kilo is waarschijnlijk vooral een gevolg van een drang naar economy of scales binnen het concern. Meer onderdelen en platforms moeten gedeeld worden met mindere goden, waardoor er minder lichtgewicht bouwstenen beschikbaar zijn voor de modellen met de begeerde M op hun staart. Bij de M240i is BMW dat te hoge gewicht op dezelfde manier te lijf gegaan als bij de M3 en M4, met meer pk’s en Nm’s, slimme dynamische hulpsystemen en vierwielaandrijving.

‘Vanzelf ontstaat het idee de onverzettelijke stoomlocomotief met de minstens zo voortvarende M240i op de plaat te zetten’

De goden lachen de BMW breed toe op de A830 richting Mallaig. Goed asfalt, lange en overzichtelijke bochten, en nauwelijks verkeer. Aan de noordkant van Loch Shiel, waar de weg zich elegant langs slingert, is het iconische viaduct van Glenfinnan, gebouwd in 1901, met niet minder dan 21 overspanningen. In het seizoen rijdt er tweemaal daags The Jacobite Steam Train overheen, van Fort William naar Mallaig. Het viaduct, dat in een lange boog is gebouwd, was al tijdenlang een attractie maar heeft – samen met de stoomtrein – nog grotere bekendheid gekregen door een rol in films met Harry Potter.

Veel autoliefhebbers hebben een fascinatie voor locomotieven, kolengestookte in het bijzonder, en ondergetekende is geen uitzondering. Dus ontstaat bij het passeren van het Glenfinnan viaduct vanzelf het idee de onverzettelijke stoomlocomotief met de minstens zo voortvarende M240i op de plaat te zetten. Maar waar? Hoe ver we de A830 ook volgen, nergens is een plek te vinden waar de BMW en de stoomlocomotief op acceptabele wijze samen in één beeld te vangen zijn.

We staan op het punt het op te geven als we op het navigatiesysteem een zijweggetje ontwaren, een kilometer of twee voorbij het stationnetje van Lochailort. Daar zou van de trein en de BMW samen wel een aardige plaat mogelijk moeten zijn. Die trein wil echter maar niet langs komen. Een telefoontje naar Fort William leert dat The Jacobite in het voorseizoen maar eenmaal daags naar het 70 kilometer verderop gelegen Mallaig stoomt en dan alleen ’s middags. Dus staan we de volgende dag weer met de M240i op dezelfde plek, in de kletterende regen deze keer, met in een hand een paraplu en de andere een camera. Het duurt lang, te lang want er wachten immers nog zulke mooie wegen, maar juist op het moment dat we in de M240i willen stappen horen we de schrille fluit van een stoomloc en zien pluimen rookwolken boven de bomen uitkomen. Hoera, we hebben de trein te pakken.

‘Je zou daar zomaar een Colin MCRae in de dop tegen kunnen komen die er net zo’n zin in heeft als jij’

Van Lochailort rijden we via Gleuig en Salen zuidwaarts, door delen van Schotland waar het aantal schapen het aantal mensen ver overtreft. De wegen zijn voortreffelijk, niet alleen vanuit stuurmans-optiek, maar ook vanwege de uitzichten. Ze volgen nauwkeurig de grillige oevers van de lochs en worstelen zich – omzoomd door metershoge rododendrons of gele brem – door het heuvelland. De BMW kan zijn vermogen, nee trekkracht, volledig demonstreren, maar alertheid blijft geboden, want dikwijls versmalt de weg naar single track. Je zou daar zomaar een Colin McRae in de dop tegen kunnen komen die er net zo’n zin in heeft als jij.

De achtbak doet zijn werk voortreffelijk maar hij is niet zo proactief als je gas mindert of lichtjes de rem aantikt om een bocht te ronden. De oplossing is de stand Sport in te schakelen, niet omdat de zescilinder dan alerter op het gaspedaal reageert, maar omdat de bak onmiddellijk terugschakelt zodra je ook maar een streepje minder gas geeft. Zelf schakelen met de flippers kan natuurlijk ook, maar het vraagt een leerproces om precies naar het gewenste verzet terug te gaan – de bak heeft immers acht versnellingen. De eerste tijd is het dan ook moeilijk om de automaat qua trefzekerheid te benaderen – je wint het alleen van hem als er bijvoorbeeld ingehaald moet worden, dan zet je de bak ‘klaar’ voor een megasprint.

Dat ‘mega’ is volkomen terecht, het inhaalvermogen van de M240i is absoluut magistraal, alsof hij uit een kanonsloop wordt afgeschoten – de gepasseerde weggebruikers vermoedelijk in verbijstering achterlatend. Om je een idee te geven: vloer het gaspedaal bij 60 km/h en in 2,2 seconden zit je op de 100. De M240i is overigens niet voorzien van e-boost, het systeempje dat de schoepenwieltjes van de turbo helpt op toeren te komen, waardoor er een vleugje turbolag is, maar die wordt zeer tevredenstellend gecompenseerd door de enorme duw in je rug die erop volgt.

Een van de bestemmingen is het eiland Mull, met maar één plaatsje van enige betekenis: Tobermory met zijn kleine haven en distilleerderij. De zee moet er af en toe spoken, want op vele plekken liggen zakken zand naast de voordeuren om voor de dorpels te leggen als het zilte nat te enthousiast over de kade dreigt te kletsen.

De camera wil maar geen vrienden worden met de donkere, soms naar paars neigende Thundernight Metallic lak van de BMW, die geregeld als een schaduw in de achtergrond dreigt te verdwijnen. Wat dat betreft is de Beierse machine het tegenovergestelde van Tobermory, dat je door zijn vrolijk gekleurde huizen al van verre ziet liggen. Bij veel kustplaatsen is dat overigens het geval, de vissers gaven hun boten vroeger bonte kleuren om op zee goed gezien te worden en de verf die ze over hadden, smeerden ze op woningen – zodat zij zelf van verre de veilige haven konden zien. Toen de vissers verdwenen, zijn de kleuren gebleven – want toeristen werden door de bonte verzameling huizen gelokt.

Mull kent maar één hoofdweg, van het veerboothaventje naar Tobermory en terug – de rest is single track, logisch want meer infrastructuur dan dat is niet nodig voor zo’n klein bevolkingsaantal. De weg langs de dunbevolkte oostzijde, langs Dervaig en Ballygown, zoekt eerst een route door het binnenland, maar volgt daarna nauwgezet de ruige kustlijn, steeds weer de vraag oproepend waarom ooit mensen in dergelijk eenzame gebieden zijn gaan wonen – en hoe ze er een boterham verdienen.

In het zuidoosten van Mull zijn de landschappen beeldschoon, mooier en indrukwekkender nog dan Glen Coe zelfs. De weg er door heen loopt uiteindelijk dood bij het veerbootje naar Iona, het eilandje waar in een heel erg ver verleden monniken uit Ierland zijn geland, een abdij bouwden en de bekering van het huidige Groot-Brittannië begonnen – over land en water. Iona wordt dan ook als de bakermat van het christendom in Engeland en Schotland gezien, het eilandje is zelfs langdurig vereerd en bezocht door pelgrims, het werd zelfs ‘de poort van de aarde naar de hemel’ genoemd.

‘Op Iona is de M240i niet welkom, net zoals alle auto’s, zo meldt de Petrus die bij de veerboot staat’

De poortdeuren gaat helaas niet open voor de BMW M240i. Hij is er niet welkom, net zoals alle auto’s, zo meldt de Petrus die bij de veerboot staat. We keren om, over dezelfde weg waar wellicht vele duizenden jaren geleden prevelende monniken hebben gesjokt, op weg naar het noorden om zielen te winnen. Langharige, kalm herkauwende Highlanders kijken de BMW nieuwsgierig na, wellicht hebben hun verre voorouders hetzelfde gedaan bij de monniken.

Islay is anders, het is iets dichter bevolkt en veel wegen zijn single track. Qua kilometers valt er nauwelijks meer te rijden dan op Mull. Het eiland heeft echter andere aantrekkelijkheden, het is immers het koninkrijk der single malt whisky’s. Die onderscheiden zich door hun zilte en rokerige smaak, vooral de Big Smoke whisky’s van Ardbeg, Laphroaig en Lagavulin, alle drie gebroederlijk aan de zuidkust van Islay gelegen. Alle stokerijen zijn traditioneel spierwit geschilderd met hun naam in grote zwarte letters erop, ook aan de zeezijde.

Islay (spreek uit ‘Aila’) is bedekt met een dikke laag veen welke de basis vormt voor de ‘peaty’ smaak van de fameuze whisky’s. Het veen wordt uitgesneden en gedroogd tot pakketten turf die vervolgens opgestookt worden onder een silo met gekiemde gerst. Deze krijgt daardoor een rooksmaak en wordt vervolgens voor de whisky gebruikt. Ook kun je een vleugje zeewier en zilte zeelucht ontwaren als je een van Islay’s whisky’s nipt. Vroeger werd de turf gebruikt om huizen te verwarmen, maar de 3000 inwoners van het eiland blijven er nu wijselijk van af, want de stokerijen gaan voor.

Het eiland kent één hoofdweg, die min of meer kaarsrecht Bridgend met Port Ellen verbindt. Je waant je een moment in de USA, zo ver kun je kijken. De weg golft het land door, als een reusachtig wasbord, als gevolg waarvan het gaspedaal van de BMW niet al te diep naar beneden kan. Dat komt doordat de veengrond ‘leeft’, door de plantaardige materie en het vocht dat hij bevat. Ooit hebben de bewoners van Islay het plan gehad een spoorlijn over hun eiland aan te leggen, daar waar zich nu de weg bevindt. Dat om de turf gemakkelijker in grote hoeveelheden naar de distilleerderijen te vervoeren. Toen spoorwegingenieurs poolshoogte kwamen nemen, konden ze echter heel kort zijn. Als je hier een spoorweg aanlegt, is je trein in een mum van tijd in de grond verdwenen, zo voorspelden ze.

Islay is fascinerend, het is omringd door rotsachtige eilandjes en scheepwrakken waarvan je bij helder weer de contouren in het water kunt zien. In de eerste wereldoorlog hebben Duitse onderzeeërs 24 schepen in de ruime omtrek van Islay tot zinken gebracht, vele bemanningsleden daarvan zijn verdeeld over het eiland begraven. Minstens één U-boot heeft zich schuil gehouden in een kleine en verscholen baai, Clas Uig, aan de zuidkust van Islay. ’s Nachts ging de bemanning erop uit om schapen te schieten, zodat er eindelijk weer vers vlees aan boord was. De bevolking heeft daar niets van gemerkt of geweten totdat in 1921 een voormalige U-boot commandant zich bij het White Hart Hotel meldde en informeerde hoe hij bij Clas Uig kon komen, de baai waar hij tijdens de oorlog met zijn onderzeeër had gelegen.

‘Als de edelherten bronstig zijn, zwemmen ze naar een ander eiland, waar de dames verblijven’

Er is ook een ‘love island’, vertelt de schipper van de boot die ons naar Clas Uig vaart. Hij legt echter niet aan, want het is alleen voor edelherten. De bokken verblijven een groot deel van het jaar op de eilandjes dichtbij de kust, maar als ze hun geweien hebben ontwikkeld en bronstig zijn, zwemmen ze naar een ander, groter eiland, de dames verblijfplaats van de dames. De schipper heeft de heren meerdere malen de oversteek zien wagen, hij toont een filmpje waarop je hen dapper naar hun droomeiland ziet zwemmen, met hun kop en geweien net boven water.

Terug op het Schotse ‘vasteland’ sturen we de BMW naar Kielder Forest, via Saughtree en Deadwater. De wegen ernaar toe zijn prachtig, we kunnen er de BMW naar hartenlust uitproberen, en de weg dwars door Kielder heen doet er niet voor onder. De wouden zijn meerdere malen het strijdtoneel geweest van de RAC-rally, waarvoor de talrijke gravelpaden werden opgezocht. Die besparen we de BMW. Er is meer dan genoeg lonkend asfalt met geweldige opeenvolgingen van bochten die zich met mooie lijnen prachtig aaneen laten rijgen.

Als je gewend bent aan het gewicht van de M240i en het waagt er wat mee te spelen, blijkt dat hij zich mooi laat zetten door snel in te sturen en gas te geven op het moment dat de achterkant ontlast wordt. Hij reageert dan als een achterwielaandrijver, niet zodanig dat de staart een stap naar buiten zet, maar je voelt wel die impuls. Meteen stuurt xDrive dan koppel naar de voorwielen, de neus hapt onmiddellijk naar de apex, en je komt precies op de juiste lijn de hoek uit stuiven, een spel waar je niet snel genoeg van krijgt.

Ondanks het behoorlijk harde karakter van vering en demping, ook in de stand Comfort, laat de M240i zich niet door oneffenheden uit balans brengen. Het Michelin Pilot Sport S rubber wordt door de dempers zo stevig op het asfalt gedrukt, dat het zelden contact verliest. De stand Comfort is overigens uitstekend voor zo goed als alle omstandigheden. Met Sport ben je prima bediend als je een mooie weg voor je zelf hebt en deze met het mes tussen de tanden te lijf wilt gaan. Aan Sport+ heb je alleen wat op een circuit, in elke andere situatie maakt deze afstemming de reacties van het chassis zo geagiteerd dat ze eerder een nadeel vormen dan een voordeel. De M240i is eigenlijk op zijn fijnst als je hem niet op het maximum van zijn kunnen rijdt, maar een paar tienden daaronder – dan functioneert alles in opperste harmonie en ben je nog steeds heel snel onderweg. Slotsom: het is een heel aantrekkelijke all-rounder, van formaat zelfs door de moeiteloosheid waarmee hij als GT functioneert en de wijze waarop hij de kunst verstaat zijn bestuurder als opwindende en snelle sportmachine te behagen. De hemelpoorten van Iona gaan weliswaar niet voor hem open, maar die van mijn garage zeker wel.

1000 Miles of Scotland

Octane Magazine organiseert elk jaar een roadtrip naar Schotland, samen met reispartner Petrol & Wine. Deze ‘1000 Miles of Scotland’ kent elk jaar een andere route, maar meerdere wegen zijn zo’n belevenis zijn dat ze geregeld in het routeboek terugkeren. Deelname is met alle auto’s mogelijk, ook klassiekers. Wil je op de hoogte blijven over de ‘1000 Miles’ van 2023, met waarschijnlijk Skye erin, meld je dan aan voor de nieuwsbrief bij hettylouwaard@octanemagazine.nl.

BMW M240i Coupé xDrive

Motor zescilinder-in-lijn met turbo, inhoud 2998 cm³ Vermogen 374 pk bij 5500 min-1 Koppel 500 Nm bij 1900 min-1 Transmissie vierwielaandrijving, achttraps automaat Afmetingen LxBxH 4548 x 1838 x 1404 mm, wielbasis 2741 mm, kofferruimte 390 liter Gewicht 1765 kg, verdeling voor/achter 53,1/46,9 % Remmen stalen schijven rondom, bekrachtigd Banden Michelin Pilot Sport 4S, 245/35R19 voor en 255/35R19 achter Topsnelheid 250 km/h Acceleratie 0-100 km/h in 4,3 seconden Prijs € 77.376,– (NL); € 58.975,– (B)


Tags: , , , ,



Frank Goedhart
Frank's interesse in klassieke auto's en autosport komt ruimschoots aan bod: samen met lezers zorgt hij voor nieuws op Instagram, Facebook, LinkedIn en de website van Octane.




Vorig bericht

Klassieker van morgen

Volgend bericht

Alfa Romeo Storico in Brussel





Bezoekers lazen ook


Meer historie

Klassieker van morgen

Het is nog niet zo heel lang geleden dat Ton Roks in deze rubriek verklaarde dat zijn Alfa Romeo Giulia een blijver zou zijn....

7 July 2022