Laatste nieuws

Van prins naar maarschalk – en terug

Reportages / Slider / 25 september 2020

Prins Bernhard had iets gemakkelijker toegang tot mooie automobielen dan de gemiddelde Nederlander. De autohistoricus Frans Vrijaldenhoven heeft twee boeken geschreven over de meer dan eens fraaie en kostbare auto’s van het koningshuis, waarvan één specifiek over die van Bernhard. Daarin wordt ook de Bentley 4¼-Litre Drophead Coupé op deze pagina’s belicht, waarin de prins tijdens de tweede wereldoorlog in Londen heeft gereden. Hij maakte daar deel uit van de geallieerde staf en hield zich met planning bezig. In de Britse hoofdstad had hij ook nog de beschikking over een Lagonda. Wellicht heeft hij zowel de Bentley als de Lagonda niet altijd even handig gevonden, want hij repte zich ook geregeld in een kleine zwarte Morris naar 77 Chester Square, waar hij een paar uur per dag kantoor hield.

Hij reed de – zwart gespoten – Bentley in Engeland met militair kenteken M-1283563. Volgens de Britse registratie is de auto op 19 mei 1941 op naam van Prins Bernhard of The Netherlands gezet. Waarschijnlijk is de auto in en om Londen ook gebruikt door een nog belangrijkere Bernhard, zijnde veldmaarschalk Montgomery. Mogelijk is de grote man zeer gecharmeerd geweest van de Drophead Coupé, want na de bevrijding is hij op naam gezet van Sir Field Marshal Bernard Montgomery, om precies te zijn op 24 mei 1946. Prins Bernhard heeft de Bentley dus ook nog enige tijd gebruikt na de bevrijding.

Na de veldmaarschalk is de auto in maart in handen gekomen van ene Desmond Burleigh uit Leeds, die de geschiedenis ervan uitvoerig heeft onderzocht en vastgelegd, middels ook brieven aan Prins Bernhard en het Britse ministerie van defensie. Hij heeft hem tot in de jaren ’90 gehouden, waarna de Drophead Coupé naar Spanje is verhuisd. In de tussentijd heeft hij – in 1993 – een keer bij Paleis Soestdijk zijn opwachting gemaakt om daar aan Prins Bernhard getoond te worden. Na jaren elders is de Bentley opnieuw in Nederland beland en toen de kans er was een stukje te rijden – natuurlijk naar Soestdijk – hebben we die gegrepen.

Er bleek bij de nadere kennismaking dat de geschiedenis van de auto – chassisnummer B112HK – nog een bijzonder element kent: nadat hij de Park Ward fabriek had verlaten, is hij in september 1936 naar de Olympia Motor Show verhuisd om op de stand van Rolls-Royce te prijken. Daarna is hij verkocht aan zijn eerste eigenaar. Dat ‘op de stand van Rolls-Royce’ vereist enige uitleg voor diegenen die niet bekend zijn met de geschiedenis van Bentley.

Toen Rolls-Royce in 1931 Bentley Motors kocht, was het bedrijf daarmee zijn onafhankelijkheid kwijt, maar de overlevingskansen waren daardoor aanzienlijk toegenomen. Onder regie van Rolls-Royce kwamen in 1933 de ‘Derby’ Bentley’s, met een 3½-liter zescilinder, en die waren veel verfijnder dan voorheen, waardoor ze de naam ‘The Silent Sportscar’ kregen, wat de wilde ‘Bentley Boys’ als een gruwel in de oren moet hebben geklonken. Deze 3½-Litre Bentley’s waren gebaseerd op de Rolls-Royce 20/25, ze hadden echter een kortere wielbasis en meer vermogen – 115 pk – en een gesynchroniseerde versnellingsbak en bekrachtigde remmen. Het waren uitstekende auto’s – dat heeft W.O. Bentley zelf toegegeven – die het weggedrag en de prestaties van een Bentley aan de verfijning van een Rolls-Royce koppelden.

Waarschijnlijk heeft Bernard in de Bentley getoerd met Juliana naast hem en de kleine Beatrix en Irene op de achterbank

Mede door de komst van snelwegen op het Europese vasteland en de zo ontstane behoefte aan hogere snelheden kregen de Derby Bentley’s een update in de vorm van betere Hall’s Metal lagers, een motor die naar 4,257 cm3 was vergroot en meer vermogen leverde dan in een Rolls door een hogere compressie en sportievere nokkenas. De auto die Prins Bernard in Londen gebruikte was zo’n 4¼-Litre ‘Derby’ Bentley, met een Drophead Coupé carrosserie van Park Ward.

Het was even een bijzonder momentje om van Hilversum met deze honorabele Bentley richting Soest te rijden, langs het bebouwde-kom bord ‘Soestdijk’, en in de verte de witte muren van het koninklijke paleis te ontwaren. Wellicht heeft Bernhard daar ook een keer zo gereden, hopend dat Juliana met een stevige uitsmijter op hem wachtte. Ik weet niet of dat ooit gebeurd is, onmogelijk is het niet. Waarschijnlijk heeft Bernard wel in de Bentley getoerd met Juliana naast hem en de kleine Beatrix en Irene op de achterbank, hun haren wapperend in de wind.

Het is opmerkelijk hoe verfijnd en rustig zo’n 4¼-Litre loopt, het moet in zijn gloriedagen een eerste klas langeafstand cruiser zijn geweest. Het contrast met de brute 4½-Litre viercilinder Bentley’s is werkelijk enorm, zeker met de Le Mans versies met hun open uitlaten, aeroscreens en versnellingspook buiten de cockpit. De Drophead Coupé is totaal het tegenovergestelde, een en al beschaving. Je zit er heerlijk in, uit de wind, en de zes-in-lijn heeft zoveel trekkracht dat het geoorloofd is behoorlijk schakellui te rijden. Voordat de auto de fabriek verliet, is hij op een rollenbank getest, de documenten daarvan zijn nog altijd voorhanden. Daarbij bleek hij zijn maximum koppel al bij 1750 toeren te ontwikkelen: 175 lbs/ft, wat gelijk staat aan 237 Nm. Naar hedendaagse (turbo)-maatstaven is dat niet veel, maar in de Bentley manifesteert zich dat koppel als indrukwekkend doordat de motor al vanaf stationair bijna onverzettelijk is.

De 4¼-Litre heeft een heel groot stuurwiel, waarop hij kalm doch gehoorzaam reageert – inderdaad, als een lakei – en verder zijn er weinig handelingen vereist om de Bentley naar London of waar dan ook te rijden. Het is wel even opletten bij het instappen door de positie van de versnellingspook rechts naast je stoel. Het is zelfs even zoeken hoe je voeten langs de pook naar de pedalen goochelt, want ook voor je knieën is er erg weinig ruimte.

Het was geen verrassing dat de Bentley zonder veel dralen in de tuin van het paleis werd toegelaten voor fotografie. Er wachtte echter niemand met blauw bloed om ons te begroeten, maar we hadden alle gelegenheid de 4¼-Litre bij het standbeeld van Juliana en Bernard te vereeuwigen. Juliana keurde de blauwe Drophead Coupe geen blik waardig, maar ik meende bij Bernard even een blik van herkenning te hebben gezien.

TEKST TON ROKS // FOTO’S PIET MULDER

 






Ton Roks
Na 25 jaar in de autojournalistiek vervulde Ton Roks in november 2012 een lang gekoesterde wens, hij begon een eigen autoblad: Octane, met een hoofdrol voor de klassieke auto – en een gezonde belangstelling voor interessante nieuwe auto’s.




Vorig bericht

RENDEZ-VOUS MET EEN MERCEDES

Volgend bericht

Een hete hatchback met middenmotor




Meer historie

RENDEZ-VOUS MET EEN MERCEDES

Tot mijn reeks favoriete autofilms behoort het slechts 9 minuten en 50 seconden durende C’etait un Rendez-vous van Claude...

25 September 2020