Scania’s met een neus én een neus voor zaken. Twentenaar Rijk Wibbelink wekt, omringd door zijn klassieke vrachtwagenverzameling, een ondernemende familiegeschiedenis tot leven.

Tekst Frank Goedhart // Foto’s Koen Kuypers

Bij binnenkomst in een nieuwe, redelijk anonieme bedrijfshal op een industrieterrein in Goor, is het eerste dat we tegenkomen niet de verwachte verzameling klassieke Scania vrachtwagens, het zijn drie MG’s, een Mini en een Land Rover Series 3. De 80-jarige Rijk haast zich te zeggen dat die auto’s daar toevallig staan, voor een taxatie die middag. Een deur verder staan de Zweedse ‘King of the Road’ vrachtwagens. “Maar eerst koffie en een verhaal”, zegt Rijk als hij ons voorgaat naar de warme kantine. Aan de hand van de familiegeschiedenis legt hij graag uit ‘hoe het allemaal zo gekomen is’.

Rijk Wibbelink

Het is een verhaal van vergane tijden en ondernemerschap. “Mijn opa handelde al vanaf 1916 in aardappels, grint en kolen en hij zag grote kansen toen in de jaren ’30 het Twentekanaal werd gegraven. In 1934 verhuisde zijn bedrijf naar Goor en hij kocht na de oorlog een grote havenkraan bij Stork in Haarlem, om schepen aan het kanaal te laden en te lossen. Dat was een succes en in mijn eerste baantje als kleine jongen reed ik, voor een dubbeltje per dag, de ladingen met een Fordje van de kade naar het pakhuis.” Voor het transport van de grint en kolen was een vrachtwagen nodig en al snel een volgende. Om die te onderhouden namen we een monteur in dienst en toen de buurman vroeg of we ook zijn vrachtauto’s konden onderhouden, ontstond naast de handel ook een garagebedrijf.

“Met een groepje oudgedienden is toen besloten onze hobby, het restaureren van en rijden met oude Scania’s wat groter aan te pakken”

Rijk groeide op tussen de vrachtwagens en wist al vroeg dat hij in die wereld thuishoorde. Uit school ging hij meteen door naar de zaak om daar rond de zand- en grintheuvels met auto’s en vrachtwagens te rijden. Met een neef heb ik het bedrijf overgenomen en 15 jaar geleden verkocht. Toen dacht ik ‘wat nu?’. Met een groepje oudgedienden is toen besloten onze hobby, het restaureren van en rijden met oude Scania’s wat groter aan te pakken en een nieuwe hal te bouwen. We hebben hier nu 2000 vierkante meter, met voldoende buitenruimte voor de vrachtwagens om de draai naar binnen te maken.”

De eerste vrachtwagen, een Amerikaanse Diamond T

Tijdens de koffie vertelt Rijk: “Mijn opa was in 1949 een van de eerste gebruikers van Scania’s in Oost-Nederland. Daarvoor reed hij met Amerikaanse Diamond T vrachtwagens die hij had gekocht bij Beers in Den Haag en ook nog met een mooie International KB 6 uit 1948. Toen Beers eind jaren ’40 importeur werd van Scania stapten we over en vanaf dat moment waren we echte liefhebbers van dat merk. Elk transportbedrijf heeft zo zijn eigen voorkeur, maar Scania is het merk met de grootste liefhebberskring, denk ik. En dan zijn de torpedo’s, de auto’s met neus, de allermooiste trucks die je kan rijden.”

Torpedo’s zijn de allermooiste trucks

In die begintijd werden de auto’s uit Zweden aangeleverd zonder cabine. Scania maakte geen cabines maar bestelde die bij de BeGe Karossenfabrik uit Oskarshamn, een fabriek die ook voor Engelse merken cabines afleverde. Pas later heeft Scania die fabriek overgenomen en werden de auto’s compleet met fabriekscabines geleverd. “Mijn familie liet de cabines bouwen bij een carrosseriebedrijf in Almelo”, aldus Rijk.

Scania is afgeleid van het woord Skåne, naar de provincie in het zuiden van Zweden waar het bedrijf was gevestigd was. Begin vorige eeuw kwam een fusie met VABIS – Vagnfabriks Aktiebolaget i Södertälje – tot stand, een in 1892 opgerichte fabriek van spoorwegwerktuigen en fietsen. Scania werd in 1969 samen met Saab onderdeel van Saab-Scania AB en sinds 2014 is het, met het Duitse MAN, een onderdeel van Traton, onder Volkswagen AG.

“Terwijl het volgens mij niet gaat om een glimmende showroom of een mooie dame aan de balie, het gaat erom hoe je met je klanten omgaat, om vertrouwen en gunnen.”

Rijk Wibbelink: “Wij hadden toen al een stuk of twaalf Scania’s rijden en we deden voor Beers het onderhoud, de reparatie en de onderdelenverkoop. Tot 1974, toen Beers het zelf ging doen en wij overstapten naar de Engelse vrachtwagens van Leyland, met ook de verkoop van nieuwe trucks in het pakket. En kregen we ook het dealerschap van Land Rover, dat toen ook nog bij British Leyland hoorde.”

Rijk vervolgt: “Het werd mijn taak om de Land Rovers aan de man te brengen terwijl mijn neef het transportbedrijf ging leiden. Ik was liever technisch bezig, maar toch heb ik 25 jaar lang best wel succesvol verkocht, vaak ’s avonds aan de keukentafel bij ondernemers en boeren; kwam mijn IVA-opleiding toch nog van pas. Land Rover werd in 2000 onderdeel van BMW en alles moest meteen mooier en duurder en het verkopen van Land Rovers ‘tussen al die vrachtwagens’ paste niet meer bij het nieuwe merkimago. Dat was het einde van ons dealerschap. Terwijl het volgens mij niet gaat om een glimmende showroom of een mooie dame aan de balie, het gaat erom hoe je met je klanten omgaat, om vertrouwen en gunnen. In mijn eentje verkocht ik 150 auto’s per jaar op een landelijk totaal van 1600 stuks. Dat was dus niet slecht.”


“Daarna ben ik me meer met het transport gaan bezighouden en door een aantal kleine transporteurs over te nemen reden we uiteindelijk met 30 vrachtwagens. We hadden een garagebedrijf, overslagbedrijf, de vrachtwagens en het transport. In 1984 zijn we nog overgestapt van Leyland naar IVECO, omdat DAF het Engelse moederbedrijf had overgenomen.” Het transportbedrijf is verkocht aan een vergelijkbaar familiebedrijf. Rijk komt er nog geregeld en ziet dat het in goede handen is.

Nu is er dus alle tijd om, samen met de mannen uit de begindagen, klassiekers te restaureren en rijdend te houden. Hij vertelt: “Plaat- en spuitwerk doen we bij specialisten hier in de buurt. Maar de technische dingen, opleggers restaureren, cabines aanpassen, motoren opbouwen en het perfect maken van de auto’s doen we zelf. Elke maandag komen we hier met een man of vier bij elkaar om te klussen en bij te kletsen. Jaarlijks organiseren we een grote rit waaraan zo’n 85 Scania’s uit het hele land deelnemen. Alleen torpedo’s zijn toegestaan, auto’s met ‘frontstuur’ zijn niet welkom. De dag wordt afgesloten met een diner en dan keert iedereen weer tevreden huiswaarts.”

In de hal lopen we langs de opgestelde Scania’s, allemaal gespoten in de originele kleuren van het bedrijf, met een rode cabine en donkerrode spatborden. Het logo van ‘Goor’s Overslag & Transport Bedrijf H.J. Wibbelink en Zonen Holland’ prijkt trots op de deuren en een telefoonnummer met slechts de cijfers ‘678’ verwijst naar vervlogen tijden.

Elke auto heeft zijn eigen verhaal. “Onze eerste klassieke Scania is deze, met het kenteken BE-82-57 uit 1954, gekocht van het Scania museum van Kees van Zandbergen. Het is een L71 Regent, die in de jaren ’50 en ’60 op de Europese wegen reed. Voor de liefhebber is een torpedo de auto om te hebben, maar voor een transportbedrijf gaat zo’n neus alleen maar ten koste van laadruimte.”

“De tweede Scania kwam ik op het spoor in Amersfoort. Er zat een camperbak op maar de vrouw van de eigenaar vond het niets en dus was hij te koop. Die bak hebben wij verwijderd en verkocht en er is een nieuwe laadbak op gemaakt. Dit is een van de weinige viercilinders, een zeldzame auto. De cabine hebben we doorgezaagd en met behulp van originele fabriekstekeningen uitgebouwd tot een slaapcabine.”

De ingekorte dieplader

Rijk wijst naar het minieme hangbedje achter de voorstoelen en vertelt dat hij, toen hij 12 was, soms met de chauffeurs mee mocht naar het buitenland. Als er ingevroren kippen naar Oostenrijk werden vervoerd, met blokken ijs bij de producten, sliep hij als kleine jongen tussen de voorstoelen, om de versnellingspook heen gedrapeerd. De nieuwe laadbak is stijlvol uitgevoerd met houten planken die dik in de lak zitten, het werk van een bevriende meubelmaker.

Een volgende Scania, een trekker met dieplader is volgeladen met grote, houten kabelhaspels van de Twentse Kabelfabriek in Haaksbergen, een voormalige klant van Rijk. Hij legt uit: “Ik heb die dieplader moeten inkorten zodat hij hier in het pand past en de kabelfabriek is zo aardig geweest om die houten haspels speciaal voor ons opnieuw te maken, onder de voorwaarde dat we er de bedrijfsnaam op zouden zetten.”

De collectie omvat nu in totaal negen vrachtwagens, waarvan zeven Scania Torpedo’s, een International en…toch een frontgestuurde LB81 Super, die nog in opbouw is. Rijk licht bijna verontschuldigend toe: “We hadden zo’n auto vroeger en ze zijn nu best lastig te vinden. Dus toen ik er een vond in Zuid-Holland ben ik de volgende ochtend vroeg in de auto gestapt en heb hem meteen gekocht.”

Er is nog een anekdote over de aanschaf van een originele vrachtwagen van Wibbelink, de ‘ZJ’ uit 1968. Rijk probeerde te achterhalen welke kleuren rood zijn opa had gebruikt en voormalig chauffeur Willy wist dat er bij een spuitbedrijf in de buurt een deurpaneel met opa’s bedrijfslogo lag, dat kon als referentie dienen. De spuiter bleek ook de rest van die vrachtwagen te hebben, in losse onderdelen, met het plan om de Scania te restaureren. Het heeft Rijk anderhalf jaar koffiedrinken gekost om de man op andere gedachten te brengen en afstand van alles te doen. In het bijgeleverde serviceboekje herkende Rijk zijn eigen handschrift. Op een dergelijke manier is ook de International KB6 van zijn opa door een toevalligheid terug in zijn bezit gekomen.

Op de eerste verdieping bevindt zich een bedrijfsmuseum met krantenknipsels, LEGO- en modelauto’s en oude documenten uit het bedrijfsverleden. Op een mooie oude zwart-wit foto poseert zijn opa trots voor de eerste vrachtwagen van het bedrijf, de Amerikaanse Diamond T. Het telefoonnummer bestond toen uit slechts twee cijfers, ‘16’. Er hangt een grotere fotoreportage over een reis van 13.000 kilometer, heen en weer naar Teheran, die Rijk en zijn broer in 1974 gemaakt hebben: in totaal vijf weken onderweg, over de meest onherbergzame wegen van Joegoslavië, Turkije en Iran.

De rondleiding eindigt bij de personenauto’s: een Land Rover Series 3, een MG TF, een klassieke Mini Cooper, een MGA en een MG TC. De Mini heeft hij al sinds 1990, stickers bewijzen dat er mee gereden wordt, tot aan de ‘Nordkapp’ toe. De MGA uit 1960 heeft hij samen met een vriend gekocht en gerestaureerd en toen hij in het British Motor Museum in Gaydon een linksgestuurde MG TC zag staan was hij op slag verliefd. Een bod op de auto werd afgewezen maar bij een handelaar in Groningen heeft hij dit groene exemplaar kunnen kopen. Rijk: “Hij stuurt niet echt goed maar de techniek is mooi en het is altijd ‘starten en lopen’ – en de lijnen zijn prachtig. De MG TF was een cadeau voor mezelf bij de verkoop van het bedrijf. Het is een verbazingwekkend leuke auto die heel goed rijdt.”

Over de toekomst van de collectie haalt Rijk zijn schouders op: “Ik weet het niet. Mijn kinderen vinden het allemaal wel mooi, maar gaan er zeker niet mee verder. Mijn vrienden en ik worden oud, een van ons is al overleden. Genoeg is genoeg, dus we hebben plezier met wat we nu hebben en laten andere mensen meegenieten.” Dat hij er zelf van geniet was te merken aan zijn enthousiasme bij het aanwijzen van de details die elke auto voor hem uniek maken, met de verhalen die daarbij horen.

Bij het afscheid lopen we langs een Twentse spreuk aan de muur: ‘Aj zelf nie wat ondernemt, gebeurt er ok nie wat.’ En zo is het maar net.

Stiekem toch ook erg mooi, zo’n frontgestuurde LB81