Ze hebben hard gewerkt en op eigen wijze bijgedragen aan de ontwikkeling van ondernemend Nederland. Nu genieten beide DAF’s van hun pensioen in een bijzondere collectie ‘Werkpaarden van de Wederopbouw’.

Tekst Ton Roks // Foto’s Luuk van Kaathoven
Ze kijken je alle twee aan als honden die iets ondeugends hebben gedaan en met hun kop op de grond hun baas in de ogen kijken, wachtend op wat komen gaat. Maar beide DAF’s hoeven geen standje te vrezen, ze hebben er vele jaren trouwe dienst opzitten en genieten een oude dag in de loods van Jacques Kemp in Eemnes. Hij heeft daar een verzameling klassieke bedrijfsauto’s staan, die hij treffend aanduidt als ‘Werkpaarden van de Wederopbouw’. Al zijn pronkstukken zijn afgeleid van personenwagens, vrachtwagens zul je er niet vinden, en ze hebben stuk voor stuk kleine ondernemers decennialang grote diensten bewezen.
‘ De toenmalige eigenaar is er na de restauratie een fikse roadtrip mee gaan maken: Route 66 in de Verenigde Staten ‘
De pick-up is een DAF 750, de gesloten bestelauto is een 33. Eerst de pick-up, met bouwjaar 1962, het enige exemplaar in Nederland. Wereldwijd zijn er – voor zover bekend – nog maar drie over, waarvan er twee in de USA vertoeven, aldus Jacques Kemp. Hij is dus zeldzamer dan een Ferrari 250 GTO. Zoals de meeste bedrijfsauto’s heeft hij gewerkt tot hij er bij wijze van spreken bij neerviel en een sloperij zijn laatste rustplaats leek te worden, maar dat heeft gelukkig niet zo hoeven zijn.
Jacques heeft lang naar een pick-up gezocht en op een gegeven moment is hij erachter gekomen dat er zich een in zijn woonplaats zou moeten bevinden, maar hij wist niet precies waar. “Ik ben toen op heel veel plekken gaan aanbellen en uiteindelijk heb ik hem gevonden en heeft de oude eigenaar hem aan mij gegund.”

Ook de rest van het verhaal doet Jacques graag uit de doeken. “De vorige eigenaar heeft de DAF in 1981 overgenomen van een hovenier in Blaricum, die hem nieuw had gekocht. Na hem twintig jaar te hebben gebruikt, was de carrosserie in heel slechte staat. Om hem te restaureren waren er veel nieuwe onderdelen nodig, vooral plaatwerk. Het grote probleem was dat bijna geen enkel carrosseriedeel van andere DAF’s op zo’n 750 past, zeker niet op een pick-up. De achterschermen en de achterklep waren heel moeilijk te vinden, maar uiteindelijk is dat gelukt via contacten in de DAF Club Nederland. De mahoniehouten vloer van de achterbak was gelukkig nog in goede staat. Pas in 1991, bijna tien jaar later, waren er voldoende onderdelen voorhanden om met de restauratieklus te beginnen, een klus die anderhalf jaar heeft geduurd”, vertelt Jacques.
Daarna stond de 750 Pick-Up er weer helemaal pico bello bij, in al zijn (standaard) eenvoud, zonder wieldoppen en met wit gespoten wielen en bumpers, geen verchroomde exemplaren zoals op de 33 Combi die vandaag ook van de partij is. DAF wilde de ondernemers immers een zo goedkoop mogelijk aanbod doen. De Pick-Up moest meteen weer aan het werk. De toenmalige eigenaar is er na de restauratie een fikse roadtrip mee gaan maken: Route 66 in de Verenigde Staten. De DAF heeft zich daar kranig geweerd, er trad slechts één defect op: de snelheidsmeter. En die had hij daar niet echt nodig met zijn 746 cm3 motortje van 30 pk.

Hoewel het zo’n vijftig jaar geleden is dat ik voor het laatst in een DAF reed, is het thuiskomen in de 750. Ik had indertijd een Daffodil, maar die is slechts kort mogen blijven. Nadat ik had ontdekt waarom de zit achter het stuur steeds sportiever werd – de stoelpoten zakten door de bodem –, heb ik afscheid van hem moeten nemen. Het eerste dat opvalt in de 750 is de onthutsende eenvoud van het dashboard. Je ziet alleen maar een snelheidsmeter voor je neus – die tot 120 km/h reikt – en twee hendeltjes aan de stuurkolom om de richtingaanwijzers en de verlichting te bedienen. Opvallend is de aanwezigheid van een tellertje op het dashboard, een luxe accessoire waarop je de kilometerstand kon instellen nadat je had volgetankt – dan had je een idee wanneer je weer aan de beurt was.
Bekleding is er buiten de stoelen nauwelijks, overal om je heen zie je kaal metaal, en het enige dat je als luxe zou kunnen betitelen is de aanwezigheid van een asbak. Ook de bediening is eenvoudig, twee pedalen in de voetbak en een pienter pookje in het midden. Je begrijpt meteen waarom de DAF’s zo gewild waren bij piloten die zichzelf minder talentvol vonden. De bediening is de eenvoud zelve. Je hoefde geen dure auto met een automatische transmissie te kopen als schakelen iets was dat je bij voorkeur achterwege liet. DAF bracht de ‘automaat’ naar de gewone man met zijn slimme Variomatic transmissie. Die werkte volautomatisch met riemen en poelies met een variabele diameter en kende daardoor een oneindig aantal overbrengingen. Je kunt het systeem zien als de vader van de CVT’s van nu.
‘ Wereldwijd zouden er nog maar drie Pickups over zijn, waarvan er twee in de USA vertoeven ‘
Het motorgeluid is heel karakteristiek, je hoort meteen dat het een luchtgekoelde tweecilinder boxer is, typisch DAF zelfs, want hij klinkt ietsje anders dan die van een Deux Chevaux. Bij lage toerentallen doet de tweecilinder de 750 Pick-Up lichtjes schudden, wellicht daarom werden DAF’s vroeger zonder eerbied voor grijze haren ‘truttenschudders’ genoemd.
Het rijden is een bijzondere ervaring, niet alleen door het geluid, maar ook door het ‘elastieken’ contact tussen motor en achterwielen; als je accelereert en de tweepitter gretig in toeren klimt, loopt de daadwerkelijke versnelling daarmee uit de pas, het voelt alsof de auto er maar net in slaagt om de motor bij te houden. Als je eenmaal je kruissnelheid hebt bereikt, zakt het toerental automatisch en is het alsof de dappere DAF opgelucht ademhaalt. Het uitzicht rondom is geweldig door de dunne raamstijlen en je legt je al snel neer bij het gezapige tempo dat de DAF prefereert, het is heerlijk onthaastend. Route 66 met deze auto, dwars door Amerika? Ik begrijp het helemaal.

De 33 Combi, geboren in 1971, is van een (iets) zwaarder kaliber, hoewel zijn uitlaatpijp dat niet suggereert, die heeft net zoals die van de 750 de diameter van een frikandel. Hij heeft weliswaar dezelfde motor, maar nu goed voor 32 pk. Een schokkend verschil zal dat niet maken ten opzichte van de Pick-Up, want hij weegt rijklaar bijna hetzelfde als zijn familielid met open laadbak. Hij zou echter wel sneller zijn, DAF gaf een top op van 112 km/h, wat 7 km/h rapper is. Dat lijkt onwaarschijnlijk vanwege de ‘dakkapel’ van de Combi, maar wellicht heeft de onderdruk in de open laadbak van de Pick-Up een nadelig effect op zijn top. Het kan ook zijn dat de overbrengingsverhoudingen van fabriekswege gewijzigd zijn in de jaren die de 750 en 33 scheiden.

De wielbasis van beide DAF’s is hetzelfde en hoewel de Combi door de fikse ‘huif ’ achter de cabine langer lijkt, zijn beide auto’s ook exact even lang: 3,61 meter. Het nuttige laadvermogen van de Combi is echter 330 kilo volgens de opgave van de fabriek indertijd en dat is 30 kilo meer dan de Pick-Up mag torsen.
De 33 Combi was een graag geziene gast bij kleine ondernemers, mede door zijn Variomatic die veel gebruiksgemak gaf in de stad. Om die reden maakte de vroegere posterijen, de PTT, veel gebruik van de Combi voor postbestellingen en reparatiewerkzaamheden aan het telefoonnetwerk. Het exemplaar uit de collectie van Jacques Kemp heeft echter een veel kleurrijker verleden: hij heeft een Noord-Brabantse huisschilder tot in 2013 trouwe diensten bewezen.
Ook de Combi laat zich vlot door druk verkeer loodsen dankzij die unieke transmissie. Hij komt heel goed uit de startblokken bij een verkeerslicht, met aardig wat rumoer van de driftig in toeren klimmende tweepitter, maar zodra je het gaspedaal lift, duikelt het toerental omlaag. Hij lijkt wel wat luidruchtiger te zijn dan de 750, maar dat komt waarschijnlijk door de stalen opbouw achter je rug, dat is een klankkast van formaat.

De Combi is rijker uitgerust dan de Pick-Up, hij heeft warempel wieldoppen en mooi glimmende bumpers en het dashboard is van kunststof, niet van onbekleed staal. Verder is het ook karig van instrumenten voorzien en de sprieten waarmee je de verlichting en clignoteurs bedient zijn niet aan de stuurkolom bevestigd maar steken links en rechts uit het dashboard. Naar het reservewiel zul je nimmer hoeven te zoeken bij beide DAF’s, het is standaard achter de passagiersstoel ondergebracht. Bij ‘onze’ Pick-Up stond het wiel echter in de laadbak, vermoedelijk om voor de tocht door de USA iets meer ruimte te hebben in het interieur. Jacques heeft een zwak voor vooral de 33 Combi. Zijn ouders hadden een aantal slagerijen en als bedrijfsauto gebruikten ze precies zo’n DAF, hij mocht daar weleens in mee rijden of mocht hem poetsen.
‘ Autorijden is waarschijnlijk nog nooit eerder zo gemakkelijk geweest als in deze bescheiden auto’s uit Eindhoven ’
Bij het keren en rangeren voor de fotografie was er telkens weer dat typische trekje van alle DAF’s, als je gas geeft terwijl je sterk instuurt, voorwaarts of achterwaarts, beginnen de achterwielen mokkend ongemakkelijke sprongetjes te maken. Dat komt doordat de DAF’s met Variomatic geen diff erentieel hebben, beide achterwielen worden gelijkelijk aangedreven, ook in bochten. Bij flauwe wendingen merk je daar niet veel van maar bij scherpe wel, dan legt het buitenste achterwiel een beduidend langere weg af dan het binnenste en dat gaat wringen, vandaar dat gehuppel bij parkeren en dergelijke. DAF maakte van dat nadeel overigens slim een voordeel door in zijn brochures te vermelden dat de Variomatic ook als sperdifferentieel functioneerde.

De beleving van beide DAF’s wordt vooral gedomineerd door hun vriendelijke eenvoud – autorijden is waarschijnlijk nog nooit eerder zo gemakkelijk geweest als in deze bescheiden auto’s uit Eindhoven. Je draait de startsleutel om en als het twee cilindertje tot leven is gekomen, geef je het ‘pientere pookje’ een duw, en je kunt gaan. Zelfs een Fiatje 500 van toen was complexer, daarin moest je immers schakelen en de eerste versnelling was niet gesynchroniseerd.
De bescheiden DAF’s van toen hebben niet alleen een bijdrage geleverd aan de privé mobiliteit van toen, maar ook aan die van de kleine ondernemers. Na de oorlog bedienden zij zich van paardenkarren en bakfietsen, die langzaam maar zeker opgevolgd werden door tweetakt voertuigen als de bekende driewieler van Goliath. De volgende stap waren auto’s als de Pick-Up en Combi op deze pagina’s.
Jacques Kemp heeft nog meer van dergelijke ‘Werkpaarden van de Wederopbouw’ in zijn collectie: pickups en bestelwagens van Citroën, Peugeot, Volvo, Fiat en Saab. Hij heeft zelfs een Tempo Matador, die geweldige bedrijfsauto met een ‘gezicht’. Het is mooi dat iemand die auto’s bewaart en een mooie oude dag geeft, want veel ervan hebben na een leven van hard werken hun pensioen niet gehaald en zijn gesneuveld.
We keren er nog een keer terug: voor een volgende editie van Octane Magazine rijden we opnieuw twee overlevers naar buiten, een Mini Van en een Mini Pick-Up.

DAF 750 Pick-Up (1962)
Motor tweecilinder viertakt boxer, inhoud 746 cm3, boring x slag 85,5 x 65 mm Vermogen 30 pk bij 4000 min-1 Transmissie achterwielaandrijving, continu variabele transmissie Wielophanging voor dwarse bladveer en telescoopdempers; achter pendelassen met reactiearmen, schroefveren en telescoopdempers Besturing tandheugel, draaicirkel 4,65 m Remmen trommelremmen, hydraulisch bediend Gewicht 670 kg Laadvermogen 300 kg LxBxH 3610 x 1440 x 1390 mm Wielbasis 2050mm Tankinhoud 28 liter 0-100 km/h geen opgave Topsnelheid 105 km/h (tevens maximale kruissnelheid)
DAF 33 Combi (1971)
Vermogen 32 pk bij 4200 min-1 Besturing tandheugel, draaicirkel 4,75 m Gewicht 660 kg Laadvermogen 330 kg LxBxH 3610 x 1460 x 1590 mm Wielbasis 2050 mm Tankinhoud 32 liter 0-80 km/h in 17,0 sec Topsnelheid 112 km/h (tevens maximale kruissnelheid) De niet vermelde gegevens komen overeen met die van de 750 Pick-Up