Archie Scott Brown en Brian Lister, hun namen zijn onlosmakelijk verbonden met de succesvolste sportscar van eind jaren ’50. Op Zandvoort maakten we kennis met een exemplaar dat al 47 jaar in een Nederlandse familie vertoeft.

TEKST Ton Roks // FOTO’S Luuk van Kaathoven

JE HOEFT ER niet naar te raden waarom de Lister de bijnaam ‘Knobbly’ (bobbelig, red.) had, zijn rondingen zijn dermate uitgesproken en herkenbaar dat je hem de Jane Mansfield onder de sportscars van de jaren vijftig zou kunnen noemen. Het was een formidabele raceauto, afkomstig van een kleine constructeur uit Cambridge, en hij heeft een aantal jaren de race-scene gedomineerd in Groot-Brittannië en in de USA. In handen van Amerikaanse piloten heeft hij de Ferrari 250 TR (de Testa Rossa) partij gegeven, wat mooi gedocumenteerd is in Willem Oosthoek’s prachtige boek Sports Car Racing in the South, Texas to Florida 1959-1960.

De Lister was echter tot nog meer in staat in Engeland, met de eenarmige, fenomenaal goed sturende Archie Scott Brown aan het roer, de man die voor Brian Lister net zoveel heeft betekend als Jim Clark voor Colin Chapman. Met hem heeft de Knobbly Lister, ontwikkeld rondom de motor van de op Le Mans tweemaal zegevierende Jaguar D-type, zijn grootste gloriedagen beleefd.

‘ Een legende was geboren, Archie Scott Brown zou dat jaar elf van de veertien races winnen met de Lister Jaguar ’

Die kregen extra glans doordat de Lister het product was van een ‘garagist’ zoals Enzo Ferrari neerbuigend kleine constructeurs noemde als die hem het leven zuur maakten.
De nieuwste creatie van ‘garagist’ Brian Lister, met een kersverse fabrieks 3,4-liter Jaguar D-type zescilinder voorin, had zijn debuut gemaakt in 1957 op Snetterton en Archie Scott Brown had onmiddellijk pole position opgeëist. Helaas kon hij die in de race niet verzilveren door een probleem met de koppeling. Hij revancheerde zich niet lang daarna tijdens The British Empire Trophy Race op Oulton Park, voor de ogen van maar liefst 35.000 toeschouwers. Een van zijn tegenstanders was het machtige Aston Martin met Roy Salvadori in de DBR-1 en Noel Cunningham-Reid in een DB3S. Ook de broers Graham en Peter Whitehead reden in Aston Martins, met privé DB3S’en. Dick Protheroe was er met het prototype van de Tojeiro-Jaguar MkII en Ron Flockhart – winnaar van Le Mans – stond aan de start met een ex-Duncan Hamilton Jaguar D-type. En dan waren er nog een paar D-types, een HWM Jaguar, een Cooper-Jaguar en een ex-Ecurie Ecosse C-type.

Salvadori had een geweldige start en pakte meteen de kop, terwijl Archie zich zo goed mogelijk een weg naar voren baande. In een mum van tijd nam hij de leiding over en reed weg van de rest. Ondanks problemen met zijn remmen liet Scott Brown het veld steeds verder achter zich en won glansrijk met tien seconden voorsprong op Salvadori. Daarmee was een legende geboren. Archie zou dat jaar elf van de veertien races winnen met zijn Lister Jaguar, en was in een mum van tijd een publiekslieveling door zijn immer flamboyante stijl en uitbundige vierwieldrifts.

De Knobbly Lister op deze pagina’s is nimmer in handen van Archie geweest, vanuit Brian Lister’s ‘garage’ in Cambridge is hij rechtstreeks naar de USA vervoerd, waar een behoorlijk deel van de geringe productie naartoe is gegaan. Het is chassisnummer BHL 17, via tussenkomst van Carroll Shelby in de USA geleverd aan de eerste eigenaar, zonder motor, want de Amerikanen reden liever met de V8 van de Corvette dan met de state-of-the-art zes-in-lijn waarmee Le Mans was gewonnen. Carroll Shelby was samen met Dick Hall (broer van Jim) importeur van onder meer Lister in Dallas, Texas. Hij was zo enthousiast over de Lister dat hij er graag méér wilde hebben, hij dacht aan 20 of 30.

Brian Lister heeft toen geantwoord dat zulks wel zou kunnen lukken, het ging dan immers om twee of drie auto’s per maand. Nee, antwoordde Shelby, die wil ik per week!
Voordat we op de levensloop van de BHL 17 ingaan, eerst iets meer over Brian Lister zelf. Het familiebedrijf waarin hij opgroeide was een smederij en hij wist het een en ander van lichtgewicht metaalconstructies en techniek. Hij had een levendige interesse in autosport – en was ook een zeer bekwame jazz-drummer. Toen hij zich in 1946 had aangemeld bij de RAF, mocht hij daar autotechniek studeren.

‘ Sponsor British Petroleum heeft Lister aangemoedigd een sterker chassis rondom de zescilinder van Jaguar te ontwikkelen ’

In die tijd is hij gaan racen in een Morgan met een motor van Coventry Climax en daarna met een Cooper waarin hij een 1100 cm3 motor had gemonteerd omdat hij dacht daarmee in die klasse de beste kansen te hebben. Hij maakte toen ook opnieuw kennis met John Tojeiro, een oude schoolvriend, die begonnen was met het ontwerpen van sports cars. John was onder de indruk van de aanpassingen die Brian aan zijn Cooper had gedaan, en is onderdelen bij hem gaan bestellen. Brian is met een chassis van vriend John een eigen raceauto gaan bouwen, om er vervolgens achter te komen dat hij als constructeur veel meer talent had dan als coureur. Nadat hij in een lokale sprintrace verslagen was door een sympathieke kerel in een MG TD, Archie Scott Brown genaamd, heeft hij deze gevraagd voor hem te gaan rijden. Archie heeft ‘ja’ gezegd en dat is het begin geweest van een mooi verhaal – met helaas een tragische afloop.

Brian Lister bouwde in 1954 zijn eerste raceauto’s voor klanten met motoren van MG en Bristol. Dankzij de stuurmanskunsten van Archie Scott Brown en de vaardigheden van Don Moore, die de motoren met zorg balanceerde, polijstte en opnieuw opbouwde, veroverden de Listers al snel een dominante positie in de Britse clubracerij. In 1956 besloot een klant een motor van Jaguar in te bouwen in zijn Lister, Brian was sceptisch, vond hem te krachtig voor het chassis, maar het was desondanks een heel succesvolle auto. Sponsor British Petroleum (BP) heeft Lister toen aangemoedigd een sterker chassis rondom de zescilinder van Jaguar te ontwikkelen en Brian is aan de slag gegaan.

Jaguar had zich uit de autosport teruggetrokken, de motoren van de D-type waren beschikbaar, er zat wellicht brood in het bouwen van klantenauto’s voor de Europese en Britse markt, vandaar. Brian versterkte zijn eenvoudige maar voor die tijd hypermoderne chassis van 1954, monteerde grotere remmen en deed nog een aantal aanpassingen. De eerste versies van de nieuwe racer waren nog niet uitgesproken ‘knobbly’, die hadden meer weg van een strijkijzer met een lange en lage neus, naar voorbeeld van de MG EX 179 recordwagen, maar de finale vorm van de Lister was dat wel: het was een brute machine geworden met een gapende muil en spatschermen die zich lijken aan te spannen als de biceps van een bodybuilder.

De Listers die in de USA zijn beland zien er soms nog dreigender uit door een nog grotere bult in de motorkap, nodig om de omvangrijke carburateur of het injectiesysteem bovenop de V8 te monteren. Een vroege Amerikaanse koper van een Lister was Briggs Cunningham, die een snellere auto dan een D-type wilde om de eer van Jaguar in de USA te verdedigen. Een andere enthousiast die graag het gaspedaal van een Lister diep intrapte was Jim Hall, de man die later faam zou verwerven met zijn Chaparrals.

De BHL 17 die op Zandvoort staat te wachten, komt uit de showroom van Bloemendaal Classics & Sportscars in Rijssen, waar hij wacht op een nieuwe eigenaar. Menige lezer kent de Lister wellicht, want hij vertoeft al 47 jaar bij dezelfde Nederlandse eigenaar, Dick van Amsterdam, die hem vele malen gebruikt heeft waarvoor hij gebouwd is: racen. De auto is zeer herkenbaar doordat zijn aluminium carrosserie niet gespoten is, iets waarvoor Van Amsterdam na de restauratie welbewust gekozen heeft. De volledige geschiedenis is op de website van Dick Bloemendaal te lezen. Ik volsta hier met een resumé.

‘ Carroll Shelby was zo enthousiast over de Lister dat hij er graag méér wilde hebben, hij dacht aan 20 of 30 – per week! ’

De auto is in 1958 gebouwd, vervolgens in de USA beland en daar is hij in oktober 1959 – gehuld in donkere lak – voor het eerst op een circuit verschenen, zijnde Midland in Texas, voor de tweede editie van de Annual Midland Sports Car Races. Hij was aangeschaft door ene Joe Mabee, die er persoonlijk een Chevy V8 in had geschoenlepeld, die had de voorkeur omdat hij lichter, iets krachtiger en gemakkelijker te servicen was dan de Britse zescilinder. Er was heftige competitie dat weekeinde van Ferrari’s, Maserati’s en Porsches die nu tot de topauto’s onder de klassiekers behoren. Als je het boek van Willem Oosthoek leest verbaas je jezelf over het prachtige materiaal dat die Amerikanen in het zuiden van de USA tot hun beschikking hadden, om van het aantal circuits maar niet te spreken, 29 maar liefst, verdeeld over negen zuidelijke staten. Wat moeten ze daar een pret gehad hebben. Mabee vertelt in het boek dat zijn nieuwe aanwinst prima reed totdat de achteras vastsloeg en dat hij de auto ter plekke heeft verkocht aan een Porsche-rijder van wie hij zei de naam niet meer te weten.

In januari 1960 bij de Annual Frostbite Races op Hondo in Texas was de BHL 17 weer van de partij, in handen van ene Ed Cantrell, die de inmiddels lichtblauwe Lister enkele malen in dat seizoen naar een positie in de top drie heeft gereden. Daarna is de auto in handen gekomen van effectenmakelaar Art Huttinger, die er van november 1960 tot februari 1962 veelvuldig mee heeft geracet en aanzienlijke successen heeft behaald. Hij wist mooi materiaal op waarde te schatten, dat blijkt ook uit het feit dat hij met zijn P51 Mustang ‘Warbird’ van circuit naar circuit vloog. In die periode was de Lister op zijn mooist, donkerblauw met een wit omlijnde neus en wielkasten, wat het moeilijk te begrijpen maakt waarom Van Amsterdam indertijd besloten heeft de BHL 17 na de restauratie ongespoten te laten. Het is weliswaar onderscheidend, maar het exuberante, typisch Amerikaanse kleurenschema uit de periode met Huttinger stond hem fantastisch en zou hem nu wellicht nóg aantrekkelijker maken voor potentiële kopers.


Na Art Huttinger is de Lister gekocht door Graham Shaw, bijgenaamd ‘Tombstone’ vanwege zijn onverschrokken rijstijl. Die is een keer met een crash geëindigd, echter zonder structurele schade voor de BHL 17. Via nog enkele Amerikaanse eigenaren is hij in 1979 in Engeland terechtgekomen en is hij – uiteraard, zou je bijna zeggen – voorzien van een 3,8-liter Jaguar zescilinder en is hij in bezit geweest van John Harper en Stephen Langton, beide bekende namen in de Britse racewereld. De Lister was in tamelijk deplorabele staat toen Dick van Amsterdam hem 47 jaar geleden aanschafte en hij heeft hem door het in Jaguars (C- en D-type) en Lister gespecialiseerde Pearsons Engineering in Northampton en RS Panels in Nuneaton laten restaureren.

Het is een imponerende machine, hij is enigszins ‘dans son jus’, hij draagt de gebruikssporen van een lang raceleven, maar dat hoeft nog lang niet ten einde te zijn, want hij is kerngezond en klaar voor nieuwe actie. Instappen vraagt niet alleen lenigheid maar ook prudentie, niet alleen omdat het portier klein is, je moet ook opletten dat je niet op de aluminium dorpels gaat staan maar op de dikke ronde chassisbalken, maatje regenpijp.

Waarom de Lister geen spaceframe heeft? “Dat ging mij boven mijn pet”, heeft Brian Lister ooit verteld in een interview. “De calculaties die nodig zijn om zo’n frame door te rekenen was ik niet machtig. Daarom ben ik voor two bloody great tubes gegaan, zoals Frank Costin zo’n chassis noemde.” Voor de voorwielophanging heeft Brian dubbele driehoekige draagarmen gekozen en achter voor een De Dion-constructie, dat was ook toen al een bekende – en uitstekende – set-up. Het voordeel van de twee grote chassisbuizen is dat je als bestuurder heel laag zit, tussen het chassis en de aandrijfas in. Daardoor kijk je maar net over de grote bult op de motorkap en de pronte spatschermen heen. Dat is geen toeval. Brian Lister had geen aerodynamica gestudeerd, maar hij had wel een grote dosis gezond verstand en streefde naar een zo laag mogelijk frontaal oppervlak voor zijn Lister Jaguar.

Welbewust heeft hij het schutbord zo laag mogelijk gehouden – behoorlijk veel lager dan de motor zelf – waardoor ook de perspex voorruit laag kon blijven en zo goed als geen invloed heeft op de luchtweerstand. In die context is het merkwaardig dat de rijwind best wel veel ruimte gegund wordt om het voluptueuze staartstuk binnen te stromen, maar waarschijnlijk is ook daar bewust voor gekozen om de schijfremmen te koelen, die zijn immers ver binnenboord gemonteerd, tegen het differentieel aan, zoals bij de E-type. Hoe dan ook, Brian Lister had de aerodynamics van zijn Knobbly beter voor elkaar dan de specialist Frank Costin, want de Listers met de door hem ontworpen stroomlijn-body waren niet sneller dan die van Brian. De coureurs waren er bovendien geen fan van omdat ze de carrosserie onhandig volumineus vonden.

Het stuurwiel is fors, je rechterhand strijkt al snel langs het plaatwerk van het portiertje, de slijtsporen zijn daar te zien. Onvermijdelijk dringt zich de gedachte op dat Archie Scott Brown daar geen hinder van gehad moet hebben, hij stuurde immers alleen maar met zijn linkerhand. Het houdt je wel even bezig als je in de Lister zit, hoe die man met zijn linkerhand en niet meer dan een stomp rechts zo’n heel serieuze en bloedsnelle raceauto zo uitnemend goed onder controle heeft weten te houden.

Het instrumentarium doe je met het woord ‘minimaal’ weinig tekort, het bestaat uit slechts een toerenteller – met een rode ‘lijn’ bij 6000 – en rechts van je, voornamelijk aan het zicht onttrokken, bevinden zich metertjes voor de olie- en watertemperatuur en de laadstroom. De pook van de vierbak – een Moss – steekt onder een hoek het interieur in, zodanig dat je hand er gemakkelijk op valt vanaf het stuurwiel. Daar staan overigens restanten van de naam Graham Shaw op, hij was de eigenaar die de twijfelachtige bijnaam ‘Tombstone’ had.

Je zit diep in de Lister, de afstand tot het stuurwiel is prima voor een ferme greep, maar ik heb een kussen achter mijn rug nodig om de behoorlijk zware koppeling helemaal in te kunnen trappen en hem met zorg te laten opkomen voor het wegrijden. Rem- en gaspedaal zijn goed gepositioneerd voor heel-and-toe. Eerst de helm op, met vizier, voor deze gelegenheid historisch correct voor mij gemaakt door Bill Vero en zijn Everoak, waarvoor dank. De Jaguar zes-in-lijn klinkt meteen energiek en strijdlustig en kippenvel rijdt met je mee zodra het gaspedaal diep wordt ingetrapt. Het is een serieuze racemotor, niet zo’n zelfde als die van de Le Mans D-types met de speciale wide angle cilinderkop, maar een latere van de E-type waarmee hij goed is voor 280 tot 300 pk. Het is geen nukkige motor die alleen bij hoge toerentallen koppel heeft, hij laat me warempel zonder gênante bokkensprongen de pitstraat uit rijden.

Het schakelen vraagt aandacht, het gaat hakerig en de pook beweegt in een relatief klein horizontaal vlak. Voor de rest laat de Lister zich relatief gemakkelijk rijden. Door de hoge neus, waar je langs kijkt als ware het een loop, heb je de indruk een projectiel te besturen. Het lijkt alsof je ver naar achteren zit, wat daadwerkelijk zo is, meteen achter je, boven op de achteras, bevindt zich een 120-liter benzinetank. Een brandstofmeter is niet aan boord, indertijd werd bij het vullen gecalculeerd met een aantal liters per minuut, je racet immers zo goed als altijd met veel of vol gas en je weet precies hoelang de race duurt.

De Lister laat zich goed plaatsen, althans in de bochten naar rechts, daar kun je de Dunlop Racings op de millimeter nauwkeurig langs de kerbstones leiden, maar in de paar linkerbochten die Zandvoort telt, wordt het zicht je ontnomen door het hoge spatscherm – je moet met de trial-and-error-methode bepalen hoe ver je kunt gaan. Wat haast onmiddellijk opvalt is hoe solide en vlak de Lister ligt in bochten, het is duidelijk een auto met een heel laag rolcentrum, je ziet ook op oude foto’s met Archie Scott Brown hoe weinig hij overhelt terwijl hij op Goodwood driftend de hoeken om komt. Zo werden raceauto’s toen gereden, de banden waren smal, het rubber was hard en de grip was lang zo groot niet als nu. De snelste manier om bochten door te komen was met gecontroleerde vierwieldrifts, precies op de grens van de grip. Scott Brown was daar een meester in – en hield er een unieke eigen visie op na wat de ideale lijn betreft.

Als de Lister op snelheid is, is de besturing niet zwaar en geeft goede feedback, wat waarschijnlijk komt doordat hij geen koppelingen kent, de stuurkolom loopt ononderbroken en kaarsrecht door naar de heugel. Het stuurhuis is overigens afkomstig van de Morris Minor, dat werd ook gebruikt door onder meer Lance Reventlow voor zijn Scarabs, de enige sportscars in de USA die enigszins tegen de Listers opgewassen waren, voornamelijk door hun betere remmen.

Het acceleratievermogen van de Lister is indrukwekkend, niet zodanig heetgebakerd dat je prudent met het gaspedaal moet omspringen, maar de zescilinder heeft wel een continu sterke drang om op de einder af te stuiven, als een getergde stier op een matador. Hij bouwt rap snelheid op, zonder piekerig te zijn. Ik heb geen idee wat de top is, niet alleen door het ontbreken van een snelheidsmeter, maar ook vanwege het feit dat de Dunlop Racings door het lange stilstaan vlakke plekken hebben en ik de Lister niet met al te veel vibratiegeweld wil teisteren. De zoon van Dick van Amsterdam, die de auto begeleidde, vertelde me later dat zijn vader 306 km/h met de BHL 17 heeft gereden.
Het homologatiegewicht is 825 kilo en de gewichtsverdeling zou 48/52 procent zijn. Als de motorkap open is zie je dat alleen de nokkenas-covers boven de wielen uitsteken, de rest van alle massa’s bevindt zich zo laag mogelijk daartussen. Je rijdt de Lister dan ook al snel als een grote kart, zoveel vertrouwen geeft hij en zo vierkant staat hij op het asfalt.

‘ De pk-gewichtsverhouding van de Lister was nagenoeg hetzelfde als die van een Mercedes Grand Prix monoposto van 1954 ’

De tractie is opvallend goed, ondanks het smalle rubber kun je met behoorlijk veel gas de bochten uitkomen. De Lister was wat dat betreft superieur aan de D-types met hun starre achteras. Op Le Mans, met de lange rechte stukken, vormde die geen nadeel, maar op de kortere circuits die Engeland toen rijk was, was de Lister met zijn De Dion-achteras in het voordeel, daarmee houd je de positie van de wielen op het asfalt nu eenmaal beter vast.

Je zou de Lister Jaguar de opvolger van de D-type kunnen noemen. Het was in elk geval een betere auto, met een betere achterwielophanging, een betere wegligging en een beter weggedrag. The AutoCar rekende in de editie van 28 juni 1957 voor dat het gewicht van de Lister met bestuurder, een gevuld koelsysteem en 25 liter brandstof en 25 liter olie lichter was dan een D-type zonder vloeistoffen. De pk-gewichtsverhouding van de Lister was zelfs nagenoeg hetzelfde als die van een Mercedes Grand Prix monoposto van 1954.

Hoe goed de Lister ook was, op Le Mans heeft hij het stokje niet kunnen overnemen van de D-type. In 1958 en 1959 zijn er wel Listers aan de start gekomen, maar de verplichte verkleining van de cilinderinhoud naar 3,0 liter deed Jaguar’s zescilinder geen goed en de resultaten waren daar dan ook naar. Elders, waar met 3,4 en 3,8 liter gereden mocht worden, is de Lister wel blijven presteren maar werd hij op een goed moment ook voorbijgestreefd, de raceauto’s ontwikkelden zich toen heel snel.

Zo’n achttien maanden na de dood van Archie Scott Brown op Spa heeft Brian Lister aangekondigd te willen stoppen. “Als we op Le Mans gewonnen hadden, was ik misschien doorgegaan, maar dan hadden we wel een totaal nieuwe auto moeten ontwikkelen omdat de sport zo veel veranderd was. En daar hadden we het geld niet voor”, zei hij in 1995 in een interview met Thoroughbred & Classic Cars. Na het ongeluk van Scott Brown is ook zijn belangrijkste rijder Ivor Bueb dodelijk verongelukt op Clermont-Ferrand en een week later viel Jean Behra, een potentiële Lister-rijder, hetzelfde noodlot ten deel. Dat heeft Lister zeer geraakt, hij heeft toen aangekondigd zich tijdelijk uit de sport terug te trekken, maar is nimmer teruggekeerd.

Zijn bijdrage aan de sport is groot geweest, Brian Lister is een van die kleine, moedige en geïnspireerde constructeurs geweest die een eigen weg durfden te gaan en het waagden de gevestigde orde de handschoen toe te werpen. Zijn Lister Jaguar Knobbly was van meet af aan een formidabele tegenstander en is een aantal jaren de beste sportscar geweest die je kopen kon. Een machtige machine, zonder meer, een mijlpaal – en een fantastische ervaring. Laten we hopen dat de BHL 17 spoedig weer in actie te zien is. Op Zandvoort, Goodwood en Spa, met een nieuwe eigenaar. En graag in de kleuren van begin jaren zestig, toen Art Huttinger hem reed.

Screenshot

MET DANK AAN Bloemendaal Classics & Sportscars,
bloemendaalcs.nl