In 1902 besloten de gebroeders Spijker dat een supersportwagen een goed promotiemiddel zou zijn voor hun nog jonge automerk. Hun gloednieuwe fabriek Trompenburg aan de Amsterdamse Amsteldijk beschikte over een flinke productiecapaciteit, die nog lang niet ten volle benut werd.

De automobiele innovaties volgden elkaar in die jaren razendsnel op en Spijker wilde graag op de voorgrond treden als technologisch vooruitstrevend merk. Zodoende werd er een zescilinder op stapel gezet, iets wat tot op dat moment nog niet was vertoond, hoewel ook de concurrentie in Frankrijk en Engeland op dit spoor zat. Het chassis werd getekend door de Fransman Emile Drouard, terwijl de Belg Joseph Laviole verantwoordelijk was voor de motor.
Een tweede innovatie, eentje waar nog niemand anders mee bezig was, was de vierwielaandrijving. Hierop verkreeg Spijker dan ook een patent in zowel Frankrijk als Groot-Brittannië. In verband met de export naar onder meer dat laatste land werd de Hollandse ‘lange ij’ vervangen door een i-grec.
Het zescilinder 4WD-chassis werd voor het eerst getoond op de Salon van Parijs in december 1903. Dat was rijkelijk laat, want aanvankelijk was het de bedoeling om deel te nemen aan de race Parijs-Madrid in mei van dat jaar. Over dit plan van Spyker viel onder meer te lezen in het Algemeen Handelsblad van 23 februari 1903.
De dienstdoende journalist constateerde meteen dat de Spyker met zijn 54 pk vermogen tekort zou komen ten opzichte van de concurrentie, die over 80 tot 100 paardenkrachten beschikte.

Achteraf bezien is het dus maar beter dat Spyker niet aan deze race heeft deelgenomen. Behalve dat een ereplaats er waarschijnlijk niet in had gezeten, werd de race ook nog eens vroegtijdig beëindigd vanwege een reeks dodelijke ongevallen, waarbij onder andere Marcel Renault om het leven kwam.
Na de Salon van Parijs zette de nieuwe Spyker koers naar de Motor Show in het Londense Crystal Palace, begin 1904. Door technische problemen arriveerde hij daar enkele dagen te laat, maar het doel was het Britse merk Napier de loef af te steken met de primeur van een zescilinder, en dat lukte. Het promotionele doel werd zeker bereikt, want er werd volop geschreven over de nieuwe Spyker, vooral door de Britse pers.
Het nieuwe zescilinder chassis werd ook in de catalogus opgenomen, maar kopers lijken er niet te zijn geweest. Het was dan ook een van de duurste auto’s op de markt.

‘Jacobus Spijker is de auto blijven ontwikkelen en hij is enkele keren ingezet voor wedstrijden.’

Hoewel de motor intussen vergroot was van vijf naar 8,8 liter en het vermogen gegroeid was naar zo’n 80 pk bij 1500 toeren, is van de geplande inzet in wedstrijden weinig terechtgekomen. Bij proefritten bleek dat er nog veel ontwikkelingswerk nodig was om de wagen betrouwbaarder en sneller te maken. Het vierwielaandrijvingssysteem gaf echter verrassend weinig problemen. Jacobus Spijker is de auto verder blijven ontwikkelen en hij is daadwerkelijk enkele keren ingezet voor wedstrijden, echter niet van de orde Parijs-Madrid.

(beeld Louwman Museum)

In oktober 1904 werd er in Blackpool gestreden op de vliegende kilometer en Spyker behaalde de derde plaats in de klasse ‘Touring cars, irrespective of price’. In 1906 reisde de Spyker-equipe af naar een heuvelklim georganiseerd door de Birmingham Automobile Club. Volgens de overlevering won Jacobus Spijker deze wedstrijd met de 4WD-racer, mede dankzij het feit dat het een regenachtige dag was. Helaas kon dit resultaat niet worden geverifieerd. Het moet welhaast de heuvelklim van Shelsley Walsh zijn geweest, op 16 juni van dat jaar. Deze werd georganiseerd door de Midland Automobile Club, die inderdaad gevestigd was in Birmingham. Het parcours was 907 meter lang en behoorlijk steil. Volgens officiële bronnen was de winnaar F.A. Coleman met een White Steamer. Het is echter mogelijk dat de Spyker als snelste boven was, maar dat hij vanwege zijn vierwielaandrijving buiten mededinging meedeed.

In 1908 ging Spyker failliet en ging de 60 pk racer met pensioen, maar hij werd in de jaren erna nog geregeld als blikvanger gebruikt. In 1920 gaf het inmiddels doorgestarte Spyker de auto een make-over, waarbij de originele specificatie flink geweld werd aangedaan. Alles voor de goede zaak, in dit geval een demonstratie op de Scheveningse boulevard tijdens de ‘Snelheidsweek’, waar ook de nieuwe Spyker C4 racer in actie kwam.

Toen Spyker in 1925 opnieuw failliet ging, bleef de 60 pk racer opnieuw gespaard. Op de faillissementsveiling werd hij door een van de oud-directeuren gekocht. Vanaf 1953 leende deze heer Springer hem uit aan het toen net geopende Automobielmuseum in Driebergen. In 1964 werd de 60 pk racer aangekocht door Max Lips, naar de maatstaven van die tijd gerestaureerd en vanaf 1972 tentoongesteld in het Autotron in Drunen en later Rosmalen. Na sluiting van dat museum is de collectie van Autotron overgegaan naar Louwman. Daar onderging de Spyker een volledige restauratie naar de specificaties van 1903. Onder meer de indrukwekkende V-vormige radiateur, die al in 1920 verwijderd was, werd gereconstrueerd.
Vandaag de dag heeft de 60 HP Spyker een ereplaats in het Louwman Museum, maar hij komt soms in actie, bijvoorbeeld op het Goodwood Festival of Speed.

Jan Bart Broertjes ontrukt elke twee maanden een in Nederland gebouwde racewagen aan de vergetelheid. Heb je tips, foto’s of vragen, mail dan naar autosphorthistorie@yahoo.com.

Een korte video over deze auto vind je hier: https://youtu.be/OOFMI-NFFVo?si=cShDhbkX6nnsGgVy

Made in Holland is een rubriek in elk Octane Magazine. Bestel jouw exemplaar in onze webwinkel: Webshop